woensdag, augustus 17, 2005
DICHTERSALFABET: De B van Boog

Wellicht het belangrijkste woord in Mark Boogs Luid overigens de noodklok (Cossee 2003) is "niets". Ik citeer het eerste, titelloze gedicht van de eerste cyclus, "Het oorzakelijk verband", in zijn geheel:

Als vanzelfsprekend rimpelen gevolgen,
groter dan de ouders, sterven weg.

Er zullen meeuwen boven krijsen,
hebben gekrijst, gedachten van
een zwoegend brein, vochtige klomp dril.
Het oorzakelijk verband.

Het losse zand, subtiel vergiet.
Het onveranderd panorama op de ansichtkaart,
de nochtans ondergaande zon.
Het neemt vormen in ons aan,
veronderstelt ons.
Wij zijn beurtelings zon en zee,
golf en wind, wij zijn onveranderlijk niets.

Het gedicht noemt golven "gevolgen", en het laatste woord verbergt letterlijk het eerste in zich, wat de nadruk legt op het overblijfsel van het pseudo-anagram: ge-. Ga ik te ver als ik denk dat hiermee een passief deelwoord wordt gesuggereerd? Golven zijn gevolgen: ze golven niet zozeer als dat ze worden gegolfd. En toch zijn ze "groter dan de ouders", dan hun oorzaak, de Eerste Golver zogezegd. Deze oorzaak is blijkbaar niet zomaar iets natuurlijks, zoals ook de God van de filosofen (zoals die van Aristoteles en Spinoza) geen natuurlijke oorzaak is (zoals een biljartbal of een oerknal), maar een intellectuele oorzaak die, buiten de natuur en buiten de tijd, die natuur pas mogelijk maakt. Meeuwen en meeuwenschreeuwen worden in de tweede strofe immers "gedachten van / een zwoegend brein" genoemd; waarom zouden de golven dan niet een gelijke oorsprong hebben? Bovendien lezen we een echo van "gevolgen" in "gedachten". Het zand, de ondergaande zon en de hele omgeving lijken gedachte gevolgen van een zekere intellectuele activiteit. En jawel, in de laatste strofe, blijken wij de ouders te zijn: "Het neemt vormen in ons aan, / veronderstelt ons." De golven zijn "vanzelfsprekend" omdat ze spreken wat wij al dachten.

Maar dit denkende, vormende "wij" is niet oppermachtig. Ja, "wij" is de naam van het verband tussen de dingen, en in zekere zin zijn we zelfs de dingen -- de zon, de zee, de golven en de wind --, maar precies als onveranderlijke oorzaak van de veranderlijke wereld, zijn we uiteindelijk oneindig veel kleiner dan onze "kinderen" de golven: "niets". Dat is een verontrustende, maar niet per se oorspronkelijke gedachte; het is een radicale conclusie die de vroege Hegel al uit Kant trekt en die we in de twintigste eeuw bij de Sartre van L'Être et le Néant tegenkomen. Om de Nederlander af te schrikken, een standaard stukje Hegel:

De mens is deze nacht, dit lege niets, dat alles bevat in zijn eenvoud -- een oneindige rijkdom van vele voorstellingen, beelden, waarvan niets aan hem toebehoort -- of die niet aanwezig zijn. Deze nacht, deze binnenkant van de natuur, die hier bestaat -- zuiver zelf -- in fantasmagorische voorstellingen, is nacht rondom. . . . Men vangt een glimps op van deze nacht wanneer men een mens in de ogen kijkt.

Interessant is dat Boogs niets-wij wordt voorgesteld als "vochtige klomp dril", een bijzonder fysiek beeld voor het bewustzijn. Blijkbaar is het bewustzijn niet nietig genoeg; blijkbaar slaagt het er niet in om zijn biologische substraat, het "zwoegend brein", te doen verdwijnen in zijn activiteit. Maar is dit niet een metonymisch noodlot? Als de uitwendige natuur haar vormen in of door of dankzij het bewustzijn aanneemt, m.a.w. als de voorstelling van het bewustzijn, is het bewustzijn, d.w.z. de mens zelf als denkend (eerder dan louter levend) wezen, dan niet enkel te representeren door de weke massa van onze hersenen? Een beeld is immers altijd uitwendig, en de hersenen zijn uitwendig vergeleken met het denken (pure interioriteit, de "binnenkant van de natuur"). Het brein is natuurlijk niet uitwendig vergeleken met onze ervaring van de wereld en ons lichaam, maar dat maakt het beeld nu juist zo unheimlich. We kunnen als lichaam verdwijnen in ons denken (in het voorstellen, vormgeven) van een wereld inclusief ons lichaam, en daarmee die veranderlijke wereld ontstijgen ("wij zijn de oneindigheid zelf", heet het in het laatste gedicht van de cyclus), maar we kunnen onszelf qua denkende activiteit slechts voorstellen als "vochtige klomp dril": een obscene vlek op het landschap, "een bruinzwarte, vormeloze schim", zoals het derde gedicht het noemt.

Dat gedicht eindigt met de regel: "hij kan slechts niets zijn maar het lukt niet." Deze frustratie, deze onmogelijkheid van totaal zelfverlies, keert herhaaldelijk terug in de laatste afdeling van de bundel, "Zout":

Ik ben niets, maar
ook dat helpt niet – alsof ik niets ben
beweer ik te zijn; en misluk ik.
("Te danken")

. . . Wij losten níet op. Het mislukte.
("Dan de zee")

De avond nadert; ik leg mij af.
In de verduurzamende wijn wordt troost gezocht
en veel gevonden.
Droesemgelijk

daal ik af naar de bodem van het glas,
waar ik onrustig slaap.
Ongewenst bezinksel is mijn deel.
("De avond nadert")

Hoeveel je ook drinkt: een onrust, een bezinksel blijft. En dat ben "jij", of "ik", of "wij" -- niet als bewustzijn maar als noodzakelijk banale representatie van het bewustzijn, een vormloze schim (d.i. iets dat net genoeg vorm heeft om als vormloos te worden herkend). De vraag is hoe we deze conditie moeten interpreteren en waarderen. Verlangt Boog werkelijk naar de totale annihilatie? Het is verleidelijk het gedicht "Zelfs dit weinige", het eerste van "Zout", te lezen als nihilistisch ideaal (i.p.v. als melancholieke verzuchting):

Zelfs dit weinige kon verbranden.
Uit de as verrijst
niets, een lege vogel,
die ik niet probeer te vangen.

Maar zelf hier blijft iets over: een passief, bezonken "ik" op de bodem van het gedicht. Het niets, de lege vogel, ontsnapt, maar niet zonder sporen. Het laatste gedicht spiegelt het eerste:

Uit de as, o lief, o dag, o hoogte.
Uit de as de graagte,
adem die deze kubus vult, die muren
tussen de ribben zet. Uit de as de rouw.
("Uit de as")

Opvallend is de impliciete vergelijking (gelijkstelling?) van adem en rouw, van leven in het algemeen en leven met de dood. Het "ik" is verdwenen, als adem één geworden met de omgeving. "Adem", "graagte", "kubus", "muren", "ribben": ze lijken me niet niets. Tegelijk is rouw ook niet zomaar iets, zoiets als het golven en krijsen van de onbewuste natuur. Maar wat is het verschil tussen rouw en niets, tussen rouw en zuiver bewustzijn, tussen rouw en "een lege vogel"?