Het heilige geweld ironie bij Jeroen Mettes

by: Martijn Knol

Het paradijs bestaat zolang ernaar gezocht wordt. Jeroen Mettes, N30

Was Jeroen Mettes een rapper geweest, zo schreef hij op zijn blog, dan had hij zich de artiestennaam Poor Yorick aangemeten. Een verwijzing naar Poor Yorick Entertainment, de onafhankelijke filmproductiemaatschappij in David Foster Wallaces Infinite Jest (1996), een verwijzing die doorverwijst naar Shakespeares Hamlet (1599) – Yorick is in die tragedie de nar waarvan we, wanneer Hamlet en zijn hartsvriend Horatio op het kerkhof belanden en daar in gesprek raken met een grafdelver, alleen de schoongegeten schedel te zien krijgen. ‘Alas, Poor Yorick! I knew him, Horatio, a fellow of infinite jest.’

Mettes is geen rapper geworden, maar dichter, wetenschapper en criticus en in die hoedanigheden bleek hij wel grappig, maar geen nar. De hofnar namelijk bevéstigt de macht van de status quo, van de koning, door die te ironiseren. Omdat niemand de nar, de zot, serieus neemt, hoeft de kroon zich niets aan te trekken van zijn kritiek – die zo onschadelijk wordt.

Terwijl Mettes wel wilde schaden.

Als Jeroen Mettes geen nar is, wat is hij dan wel? Een raadsheer? Nee, ook niet. Het is Mettes erom te doen de bestaande macht te tarten en te breken. Zowel die in de poëzie als die in de politiek of in de samenleving. Hij dicht zichzelf ergens spottend ‘een terroristische persoonlijkheidsstoornis’ toe, maar met dat ‘stoornis’ doet hij zichzelf tekort.

Misschien is verzetsstrijder wel het juiste woord om hem te karakteriseren.

Verzetsstrijder. Weerstandsbeleid.

De markt van vraag en aanbod
We leven niet meer in de middeleeuwen en we worden dus niet meer geregeerd door het hof. Maar als de koning dood of machteloos is, waar is, in de 21ste eeuw, de macht dan geconcentreerd? Bij de consument. Klant is koning. En de markt regeert. Ook in de poëzie, zoals Mettes regelmatig aantoont – al is het maar doordat de poëzie in haar onderhoudendste momenten de wanhoop onder de markt eerder verhult dan blootlegt.

Een verzetsstrijder is per definitie niet-ironisch. Hij weigert ieder opgelegd spel mee te spelen, hij weigert het spel überhaupt als spel te zien. Verzet vraagt dodelijke ernst. En dit primaat van de ernst lijkt paradoxaal in de context van Mettes’ werk omdat hij het stijlmiddel van de ironie zo virtuoos hanteert, zowel in zijn poëziebesprekingen in Weerstandsbeleid als in zijn grote, onvoltooide dichtwerk N30. Iedereen kan in bijna iedere alinea van Weerstandsbeleid of N30 wel een voorbeeld aanstrepen.

Om me hier tot één toepasselijk voorbeeld te beperken, uit N30: Wat heb je aan ’n mening als je niet grappig bent?’

Mettes is dus ironisch en niet-ironisch tegelijk. Ernstig en speels ineen.

Hoe kan dat? Of liever: hoe doet hij dat? De sleutel is de eerdergenoemde David Foster Wallace. Inmiddels is diens werk, ook in Nederland, zo bekend dat het eerder als loper dan als sleutel mag gelden, maar Mettes las de auteur – die in z’n eentje beschouwd kan worden als De Grote Drie van de Moderne Amerikaanse Literatuur – eerder en beter dan de meeste Nederlandse dichters, denkers en academici.

In ‘E Unibus Pluram: Television and U.S. Fiction’ (1990), een inmiddels klassiek essay uit de bundel die is genoemd naar de net zo klassieke reportage A Supposedly Fun Thing I’ll Never Do Again, stelt Wallace dat ironie als instrument in handen van tegenculturele rebellen na de Tweede Wereldoorlog een onmiskenbaar bevrijdende uitwerking heeft gehad, maar dat de massamedia, de televisie, ironie van middel hebben veranderd in doel en dat de cultuur geleidelijk, in haar geheel, door en door ironisch is geworden waardoor niets meer heilig of belangrijk is, niets er werkelijk meer toe doet.

Ironie heeft zich een overloper betoond.

Ironie liet zich, ironisch genoeg, in de tweede helft van de twintigste eeuw steeds meer gelden als de gevaarlijkste handlanger van de status quo. En die status quo is: het massapubliek, de ‘consument’ en bij uitbreiding daarvan de media, de entertainmentindustrie, het aandeelhouderskapitalisme.

In onze tijd, zeker aan het einde van de twintigste eeuw, de periode waarin DFW zijn stuk schreef, wordt alles – iedere bewering, iedere overtuiging, ieder gevoel – op voorhand geïroniseerd. Amerika, de Westerse mens in het algemeen, heeft ironie geïnternaliseerd. Ironie als levenshouding of levensbeschouwing ontslaat je van de verplichting je te verzetten of consequenties aan je cultuur- en maatschappijkritiek te verbinden. Bovendien beschermt het je tegen de spot van anderen: als je jezelf en je manier leven zelf belachelijk maakt hoef je niet bang te zijn dat iemand anders dat zal doen.

Wallace heeft, niet alleen in zijn essays, maar ook in zijn fictie, geprobeerd door die solipsistische berusting heen te breken en een eerlijke, betekenisvolle relatie met de werkelijkheid te herstellen.

Mettes volgt hem daarin.

Net als Wallace wil Mettes een paradigmawisseling forceren. Dat maakt ernstig. Of: wie leeft vanuit de ernst wil afrekenen met het relativisme.

Mettes grondhouding is diametraal tegengesteld aan de opportunistische positie die machthebbers – de captains of industry, politici, amusementsterren – innemen: voor hen is ironie het leer waaruit hun schoenen gesneden zijn. Dit is de vijand die in Mettes’ vizier danst: de humorloze ironie van mensen als onze minister president en van volvette volkshelden als De Toppers en De Leeuw. Hun ironie wil au fond niets relativeren, rechtzetten of veranderen. Hun gezichten dragen de griezelige, wezenloze grijns van de veteraan die teveel gezien heeft om nog te kunnen lachen.

We moeten, als we over het werk van Jeroen Mettes spreken, dus een onderscheid maken tussen ironie als instrument, als stijlmiddel, en existentiële ironie. De totale ironicus zet álles tussen aanhalingstekens – iedere overtuiging, ieder gevoel, ieder verlangen – en het ironische van die ironie is dat de komma’s van die aanhalingstekens allang zijn verworden tot klemmen die de gevestigde orde, bestaande verhoudingen, onveranderlijk op dezelfde plek houden.

Ik vind het trouwens wel begrijpelijk dat ironie en relativering als levenshouding zo populair hebben kunnen worden: relativeren is een vorm van ontsnappen en ontluchten. Als je niet alles relativeert, dan kan je leven plotseling mislukken, dan kunnen er dingen misgaan, dan kan een daad slecht of een voorwerp lelijk zijn. De ironische levenshouding kiest de weg van de minste weerstand. De prijs die je ervoor betaalt is wanhoop – maar daar lijkt niet iedereen vatbaar voor. Bovendien: de evolutie leert dat luiheid, je krachten sparen, de kans op overleven vergroot. Was ironie een object, dan had het de vorm van een sofa, een loungebank of hemelbed. Verleidelijke voorwerpen.

Door gevaarlijke gekken omringd
Wie een gedicht als N30 componeert is de geïnternaliseerde ironie ver voorbij. Het schrijven ervan vraagt een haast religieuze toewijding en concentratie. In technisch opzicht is N30 een door en door ironische tekst: door te citeren, te contrasteren en te collageren probeert Mettes de kapitalistische, gemediatiseerde werkelijkheid kapot te relativeren, te slopen. Maar, nogmaals, met een niet ironisch oogmerk.

Mettes lacht niet zichzelf, maar de tijdgeest kapot. En gelijk heeft hij.

Zoals Willem Frederik Hermans opmerkte in Door gevaarlijke gekken omringd (1988):

‘Iemand die denkt dat het maar het beste zou wezen voor eeuwig en altijd de lasteraars, de leugenaars, de bedriegers en de imbecielen het hoogste woord te laten voeren zonder ze belachelijk te maken, die kan beter heroïnespuiter worden of zich dood drinken.’

Diezelfde Hermans noteerde in Antipatieke romanpersonages (1960) – opgenomen in Het sadistische universum (I) – dat het schrijvende individu een enorme tegendruk i ondervindt van zijn tijdgenoten. Het is een druk waar Mettes tegen bestand leek. Tegendruk, Weerstandsbeleid.

Mettes’ neiging zich te verzetten is niet alleen aanstekelijk, zijn kracht lijkt ook overdraagbaar – Mettes empowert zijn lezers. Wat mijzelf betreft geldt voor N30 in ieder geval wat Dave Eggers over David Foster Wallace’s Infinite Jest schreef: als je het boek uit hebt ben je ‘a better person’ En: ‘Your brain is stronger because it’s been given a monthlong workout.’ Literatuur als hersenfitness.

Het mooie van N30 is dat Mettes’ spel met nieuwe literaire vormen en het deconstrueren van de tijdgeest ook een existentiële, ethische oefening is: als we, met de hulp van onze verbeelding, andere, nieuwe literaire vormen kunnen ontwerpen, als we de werkelijkheid in stukken kunnen breken om die opnieuw te ordenen, dan kunnen we ons ook andere vormen van leven en samenleven voorstellen. Met andere woorden: waar een ironische levensbeschouwing je ontslaat van de plicht te vechten voor een betere wereld, daar blijkt ernst, mogelijk, een weg naar nieuwe verhoudingen. Ik geef toe dat dit stichtelijk klinkt, maar ook ik probeer vandaag de ironie voor te blijven.

Schone lei

‘Hoe groter de verwoesting, hoe groter de mogelijkheden,’ staat er in N30.

Wat N30 en Weerstandsbeleid zijn, naast een heleboel andere dingen: de gum die de traditie uitwist. Mettes heeft de resetknop gevonden. ‘Alles goed en wel met het heden en dat verleden van ons, maar wat als we nou eens helemaal opnieuw beginnen?’ Dat is, opnieuw, een door en door ernstig streven – hoe ironisch en satirisch Mettes’ tekstmateriaal zelf ook is.

Terzijde: wat voor Utopie ligt er achter de wereld die Mettes afbreekt? Ik vermoed: een samenleving van aristocraten. ‘Eigenlijk vind ik dat iedereen een blog moet beginnen,’ zegt hij in Weerstandsbeleid. Dat is nog net niet: iedereen dichter. En de term ‘aristocratisch’ gebruik ik hier niet in historische, sociaal-economische betekenis, maar als synoniem voor ‘autonoom’. Zelfstandig denkend en voelend. Verheven boven de wetten van vraag en aanbod.

Toekomst
Weerstandsbeleid en N30 zijn agressief. Gewelddadig.

De agressie spreekt zowel uit Mettes’ metaforen – die vaak over oorlog en vernietiging gaan – als uit zijn citaten en argumentaties.

Wat volgt er op een niet-ironische tekst? Geweld. Strijd. Oorlog.

Terwijl strijd uit onze Noord-Europese cultuur lijkt verdwenen.

Jammer. Want het is ook wel een keer mooi geweest met het beschaafd uitwisselen van argumenten. Wie durft er bommen te gooien voor zijn of haar ideaal? Wie durft zich te melden voor een rebellenleger?

Het lijkt me niet zo zinvol Mettes’ mentaliteit te extrapoleren naar het nu of naar het straks. Speculeren wat hij in 2012 geschreven of gedaan of gedacht zou hebben is niet zo interessant, want hij is er niet meer. Maar dat hij niet van plan was zijn niet-ironische levenshouding te veranderen staat vast.

De niet-ironische, vitalistische mentaliteit lijkt in mediterrane landen, in de Arabische wereld en inmiddels zelfs in de Verenigde Staten gangbaarder dan bij ons.

De cruciale vraag bij het denken over ernst, ironie en maatschappelijke verandering lijkt me, ook bij ons, of je de stap naar actie durft te zetten. Of je als denker eens iets durft te doen.

De overtreffende trap van polemiek en polemische poëzie blijft: het duel. De strijd. Het gevecht. Oorlog.

Wat volgt er op Weerstandsbeleid?

Een programma, beleid, wordt vroeg of laat geïmplementeerd. Toch?

De geschiedenis leert dat – zoals het gebabbel en geflirt van geliefden ooit eindigt in bed – beschaafde landen, stadstaten of buurtbendes bij een ideologisch of territoriaal geschil gestaag naar een gewapend conflict toewerken. Zo ontstaan nieuwe werkelijkheden.

Als je de ironie uit je wereldbeeld drijft, dan is het allemaal om het echie, dan wordt het woord vlees. Dan worden de literatuur en de poëzie net zo vitaal en relevant en gevaarlijk als het leven zelf. Ook de machthebbers, realiseer je je dan, hebben legers en politiemachten die ze zullen inzetten wanneer hun positie al te veel geïroniseerd wordt.

De macht van conservatieven, corporalen, van de commercie en het populisme lijkt alleen gebroken te kunnen worden door aan het slopen te slaan in winkelcentra, woonwijken, de grachtengordel, het binnenhof.

Over ironie gesproken: Mettes heeft mij als lezer in een paradoxale positie gemanoeuvreerd. Ik bewonder zijn ernst, ik volg zijn analyse, ik deel veel van zijn politieke en literaire diagnoses – terwijl ik er, dacht ik, denk ik, principieel op tegen ben om anderen met geweld van mijn gelijk te overtuigen.

Na ruim 200 pagina’s N30 wordt een stuk tekst van Pasolini geciteerd dat de ironie ver voorbij is of, historisch gezien, voorbleef:

En ik berouw de teloorgang van de officiële taal van het verzet, schreef Pasolini in 1967 aan Allen Ginsberg, ‘omdat die taal ons verplichtte te spreken in termen van macht, waardoor die taal praktisch en redelijk was; als nu bij jou, in Amerika, de geweldloosheid wordt aangewend als instrument van een gemystificeerde machtspolitiek, als het Heilige Geweld en de klassenstrijd worden miskend, dan lijkt me dat een grote vergissing waarbij de werkelijke macht uiteindelijk in handen blijft van dezelfde cynische fascisten die altijd en overal de macht in handen hebben gehad.’

Dit soort teksten kan eigenlijk alleen de hofnar zich permitteren.

 

De literaire praktijk – Praktisch Post Scriptum
Volgens mij is de strekking van een boek als N30/Weerstandsbeleid dat je de woorden ‘poëzie’ en ‘kapitaal’ niet van elkaar moet scheiden.

Plat gezegd: het maakt wel degelijk uit met welk of wiens geld een boek of bundel wordt gemaakt. Ook de uitgeverij hoort bij de context en betekenis van een gepubliceerde tekst.

Concernuitgeverijen horen bij de gevestigde orde en zijn daarmee de natuurlijke vijand van creativiteit, gemeenschapszin en – excuses voor de onhippe woorden – vervulling en levensvreugde.

Als er dan toch molotovcocktails gegooid gaan worden, dan moeten er volgens mij ook een paar in de richting van concernuitgeverijen.

Dank voor jullie aandacht.

i Willem Frederik Hermans over tegendruk (in Antipathieke romanpersonages /Het sadistische universum (I)): ‘Alleen die schrijvers zijn werkelijk schrijvers, die de bedoeling hebben meer te zien dan het publiek ziet, die meer willen erkennen dan er tot zij geschreven hadden, was erkend. Hierbij oefent het publiek een enorme tegendruk uit op de schrijver, iedere gedachte aan een werkelijk bestaand publiek remt en vervalst daardoor de uitspraken van de schrijver. Alleen dan is het voor een schrijver de moeite waard geschreven te hebben, als hij de zekerheid heeft hardop uit te spreken, wat zijn publiek wel heeft geweten, maar altijd heeft verzwegen; wat het heeft gedroomd, maar bij het ontwaken verdrongen.’

Mettes overzag de praktische implicaties van een onverzoenlijke, poëtische levensinstelling:

‘Verzet tegen de omgeving, zeker continu verzet tegen zaken zoals ‘de tijdgeest’, ‘vrije-markteconomie’, de ‘spektakelmaatschappij’ vreet de energie op die nodig is om eten en drinken te verzamelen, het lichaam te verzorgen, gedichten te schrijven. Verzet verzwakt het individu, niet de omgeving.’ Weerstandsbeleid (2011;p.105).

Tags: , ,

Comments are closed.