Briefkaart aan Jeroen Mettes

by: Piet Joostens

Ter gelegenheid van de presentatie van het boek Vluchtlijnen van de poëzie in het Gentse Poëziecentrum las dichter Alfred Schaffer (P.C. Hooft-prijs 2021) deze tekst voor.

‘Wat heeft de wereld, nee, wat heeft de Nederlandse, literaire wereld, nee, wat heeft de Nederlandstalige poëziewereld van Jeroen Mettes geleerd? Is hij alweer vergeten? Welke zinnen zou hij hebben geselecteerd uit de vele over elkaar buitelende oorlogsverslagen en duidingen in onze tijd? Zou het allemaal zín hebben gehad?

Vragen stellen die niet te beantwoorden zijn, misschien is dat wat poëzie kan doen. Als het om antwoorden gaat op de vraag wat er van Mettes te leren viel, én valt, kan ik dat alleen op mijzelf betrekken, bij gebrek aan beter. Bij gebrek aan “een” beter overzicht.

Vervat in enkele zinnen heb ik, vermoed ik, uit N30 en Mettes’ kritieken begrepen:

  1. Dat vorm een uitgangspunt is dat de inhoud stuurt en bepaalt.
  2. Dat het literaire niet in het literaire taalgebruik schuilt.
  3. Dat nieuwe zinnen nieuw zijn als je ze als materie behandelt.
  4. Dat polemisch vernuft niet aan te leren is.
  5. Dat het poëtische de pest is, aanstellerij is, en dat poëzie niet per se ontstaat door het poëtische.
  6. Dat engagement niet over de wereld spreekt, als een kwakende drone, maar eruit op klinkt, úit de drek. Drek stinkt, drek is amorf.
  7. Dat ik het niet snap, nooit snap.
  8. “Dat ik bang ben dat er helemaal geen hoop meer is, dat er maar één keuze is en dat die al door anderen in onze naam gemaakt is.”
  9. Dat aan poëzie een plan ten grondslag mag liggen, en dat het resultaat vervolgens tóch geen invuloefening hoeft te zijn.
  10. Dat je (lees: “ik”) niet bang hoeft te zijn voor het erudiete, voor het politieke, voor het kritieke, ondanks een vermeend minderwaardigheidscomplex.
  11. Dat een poëzie van de wereld willen schrijven een buitengewoon dapper, belachelijk, onhaalbaar en dus noodzakelijk en ontroerend voornemen is. Vooral als ze ook nog wordt uitgevoerd.
  12. Dat er soms geen doorkomen aan is.
  13. Dat nu en dan in N30 lezen een broodnodige correctie is, een opfrissing, voor als je even niet meer weet waartoe en hóe ook alweer, zoals dat ook geldt voor het werk van (wanneer we het bij het Nederlandstalige houden) Oosterhoff, Gerlach, Faverey, Ouwens, Fabias, Ter Balkt, Duinker, Tedja, Vegter, Carson, Ashbery, Rankine, Wijnberg. To name but a few.  
  14. Hallo Jeroen Mettes – ben je daar nog?
  15. Dat tegen de stroom in schrijven en denken, marginaal en militant, slechts voorbehouden is aan de dappersten en de grootste idealisten.
  16. Dat het onvergelijkbare intimideert.
  17. Dat van ambitie, vernieuwings- én geldingsdrang de poëzie en de kritiek nog nooit slechter geworden is.
  18. Dat een poëtica uitdragen het begrip van een tekst kan versmoren – daar gaan je intenties.
  19. Dat ik nog heel veel te leren heb. En nog meer af te leren.’

Bekijk de video.

Tags: ,

Comments are closed.