SQV over "betekenissnelheid" in Gertrude Stein:
Bij Stein's abstractere teksten heeft een woord meestal maar een zeer
kort-durend domein waarin het actief is. De betekenis van een woord heeft in
zo'n tekst meestal vier woorden verderop al geen directe bijdrage aan de
betekenis van wat daar staat, behalve inzoverre de latere tekst de beweging van
de eerdere tekst voortzet.
Steins tekst is dus een soort machine die loopt op betekenismateriaal -- taal, of om meer precies te zijn: woorden -- dat in flink tempo wordt aangeleverd en verstookt, maar met het oog op de productie van iets anders dan betekenis. Wat dan? Beweging.
Dat klinkt als "autonoom taalbouwsel", maar dat is het niet. De "autonomie" is uiteindelijk niet talig, maar ritmisch. De tekst is een blok van snelheden en traagheden, dynamische schakelingen.
Waarschijnlijk moeten we hierbij een onderscheid maken tussen woorden, betekenis en beweging. Woorden vormen de
grondstof; betekenis is het
medium van de beweging. "Betekenis" is hier zoiets als een oppervlakte-effect, d.w.z. zeker geen eigenschap van de tekst als geheel, maar ook niet van de woorden op zichzelf. Betekenis is natuurlijk
altijd een effect van het gebruik van woorden, van syntaxis, etc. Ze gaat niet aan de taal vooraf. Stein lijkt echter in te zetten op een zeer efemeer betekeniseffect. De curieuze paradox doet zich dan voor dat betekenis met dit bijzonder efemere karakter zich uitstekend leent als medium van een quasi-monumentale beweging. Of liever gezegd: beweging wordt monumentaal ("autonoom") op het moment dat haar medium een minimale dichtheid heeft bereikt. Een "stevigere" betekenis, of een "breder betekenisdomein" zoals Samuel het noemt, leidt immers de aandacht af van wat de woorden
doen, om meer aandacht te leggen op wat ze
zeggen. Daarom zijn Steins beste teksten misschien wel licht, maar zeker geen
light verse. (Hoewel dat laatste begrip in relatie tot iemand als Stein misschien volkomen verworpen of in ieder geval herdacht moet worden.)
*
Ik vraag me trouwens wel af of het werkelijk het
woord is dat dient als Steins basiseenheid van compositie. De zin en de alinea lijken me eerlijk gezegd de twee ritmische hoofdeenheden in haar werk. Ook bijvoorbeeld
The Autobiography of Alice B. Toklas is wat dat betreft ontzettend afgemeten geschreven. Een "abstractere" tekst is "An Acquaintance with Description", waarin zinnen voorkomen als:
Always wait along never wait so long always wait along always wait along never wait so long never wait as long always wait along always wait along never wait so long never wait so long always wait along always wait as long always wait along never wait so long always wait along. Not to believe it because not to believe it because not to believe that it is here.
Maar ook de dynamiek van deze passage -- het begin van een willekeurig gekozen alinea die helaas te lang is om in zijn geheel te citeren -- berust voornamelijk op het contrast tussen de twee zinnen qua klank, kwantiteit en misschien zelfs qua visualiteit. Hoe dan ook, tussen de punt van zin 1 en de beginletter van zin 2 vindt een relatief abrupte schakeling plaats. De lezer is opgelucht: letterlijk, want hij kan even op adem komen. Hij begint vervolgens aan zin 2 met hernieuwde energie, maar deze zin blijkt een stuk korter. Waarschijnlijk mindert hij daarom vaart, om een energetisch evenwicht te behouden. (= Het prosodisch principe van isochronie.) Ik vermoed dat het dit soort schakelingen zijn die de boel levendig -- want zowel gevarieerd als evenwichtig -- houden.
Binnen de afzonderlijke zinnen wordt er volgens mij minder geschakeld dan geschoven, en dan niet zozeer tussen woorden dan tussen woordgroepen, bijvoorbeeld tussen "always wait along" en "never wait so long", en niet tussen "always", "wait", "along", "never", "wait", "so", "long".
Dat laatste kan natuurlijk ook, zoals in "Danger Risk Hazard Jeopardy Peril" van Bruce Andrews:
. . . Have Having Needful Don't Nothing Needed Can't Don't No Method Vent Another's Aim Fatherless Why Head Inflammable Paradise Known Constituents Quits . . .
Dat is een redelijk extreem voorbeeld, maar Andrews neigt, geloof ik, ook in zijn schijnbaar meer op woordgroepen en complexere formaties gebaseerde composities vaak naar het geïsoleerde woord. Het zal de zowel letterlijke als figuurlijke
edginess van woorden zijn die hem aantrekt...
Maar bij Stein zijn het vnl. de
edge tussen zinnen onderling, tussen alinea's onderling, en het meer mysterieuze verschil tussen zinnen en alinea's, die voortstuwend werken. Als Stein zegt dat alinea's "emotioneel" zijn en afzonderlijke zinnen niet, dan heeft dat misschien te maken met het feit dat er tussen de zinnen iets gebeurt: er valt iets, er stijgt iets op, of misschien blijft er iets verrassend stabiel... "Emotie" is dan vanzelfsprekend geen geestelijke toestand die d.m.v. ontroerende woorden wordt gecommuniceerd, maar zoiets als het karakter van een blok beweging.
*
Tenslotte nog wat poëzie-advies voor de vakantie: "Be careful."
*
O ja,
Syd Barrett is dood.