Send As SMS

zondag, mei 28, 2006

Verbeter de wereld, begin bij je fantasie

*

Meer Kimya Dawson (hier met Herman Düne):


Ik houd eigenlijk niet zo van blanken die zich armoediger voordoen dan ze zijn, maar dit is toch wel een erg leuk liedje. Vind ik. ("And you worry too much about the zombies and the dead...")
*
De nieuwe yang heeft eindelijk Holland bereikt.
*
Schanulleke schrijft over Vlaams Belang. Een min of meer willekeurig citaat:

Een talkshow is een kleine terreur van de open vraag. De talkshow heeft de
structuur van een ondervraging. Sterker, de talkshow is een ondervraging.
Tijdens de talkshow wordt niet gesproken; er worden vragen gesteld en
beantwoord, zo duidelijk en zo bondig als maar mogelijk is. De journalist of
host van de show bepaalt het thema van het vraaggesprek en stelt de vragen. In
deze vraag- en antwoordstructuur wordt de politicus in de rol van lijdend
voorwerp gedwongen. Mediageniek is de politicus die erin slaagt deze rol zonder
lijden aan te nemen en de vragen ongedwongen, helder en beknopt te beantwoorden.
(Waar Pim Fortuyn vaak populisme is verweten, is onderbelicht gebleven hoe
superieur, genietend, hij de kleine marteling van de talkshow naar zijn hand
wist te zetten.)

Ik zou eerder zeggen: de rol lijdend aannemen, maar het lijden omvormen tot stijl.
*
Morgen: De G van Godijn.

vrijdag, mei 26, 2006

f4f4f4f4

Flarffolk:




Flarfactivisme:














Tonvanthofflarf:

1, 2


P.S. Iemand enig idee wat dit is?

donderdag, mei 25, 2006

Niet uitgewerkt idee

a) Iets wordt herhaald omdat het belangrijk is.
b) Iets wordt belangrijk omdat het herhaald wordt.

woensdag, mei 24, 2006

Ja, ik luister naar audioboeken, big deal

Het is waar, alle personages van Don DeLillo praten en denken ongeveer hetzelfde. Behalve Afro-Amerikanen. Maar die rappen dan wel weer in kwatrijnen met gekruist rijm:

Kid used to think he was wise to the system
Prince of the street always do things his way
But he had a case of conventional wisdom
Never say nothing the others don't say

(Dope pentameter yo! Natuurlijk wordt dit op het audioboek van Cosmopolis voorgedragen alsof het Tennyson is.)

Verder in Cosmopolis: meer virtuele melancholie en bijhorende nostalgie naar het Reële. Die virtuele melancholie laat zich overigens prima uitdrukken door de inwisselbaarheid der personages.

Die obsessie met het Reële... Ik denk dat het wat met de Koude Oorlog te maken heeft. Als je opgroeit en je ziet elke dag op televisie een nucleaire holocaust gelijktijdig aangehaald en uitgesteld (d.i. gerepresenteerd/gesimuleerd), dan wordt je uiteindelijk ook wat ongeduldig voor the Real Thing. Het echte Ding in deze roman is extreem geweld en de dood, en misschien ook poëzie. Wat dat betreft behoren DeLillo (1936) en Van Bastelaere (1960) tot dezelfde generatie. Dreiging en representatie betekenen voor hun allebei: het net niet van de dood, de dood tegelijk afgehouden en schuins gezien. De dood is een Koude Oorlog Ding.

Dit is natuurlijk speculatie, maar wie wat recentelijker volwassen is geworden, of wie op dit moment opgroeit, zou een heel andere ervaring moeten hebben. De oorlog van onze tijd is uitgesteld noch gesimuleerd. Ze is overal, in verschillende gradaties van intensiteit. De bom is gevallen en heeft de mobilisering zoniet in gang gezet dan toch officieel gerechtvaardigd. De stemming is niet dreigend, maar panisch. Verdere speculatie: gevolgen voor de literatuur.

dinsdag, mei 23, 2006

Vertraagde speculaties over zgn. elektronische poëzie

De beste elektronische poëzie die ik tot nu heb gezien/gelezen zet de nieuwe techniek in met oog op een anti-technologische effect. De bewegende gedichten van Oosterhoff bijvoorbeeld: de manier waarop woorden en frasen opdoemen en verdwijnen = alsof ze geen lichaam hebben. De elektronische vorm spiritualiseert de taal zoals het wit van een pagina dat nooit zou kunnen. Een boek in je handen is een onhandig apparaat, vergeleken met de virtuele diepte van het scherm. Tegelijk brengt het elektronische mysterie de lezer in een passievere positie. Alles zegt: "Let op! Hier wordt Iets onthuld." Het medium verdwijnt totaal in die onthulling. En niet alleen het elektronische medium, maar in zekere zin ook de taal zelf. Tenminste, de taal als (schrijf)materiaal en (schrijf)techniek verdwijnt, en wat overblijft is taal als quasi-mystieke substantie.

Het rare is dus dat die poëzie slaagt omdat het nieuwe medium zo goed in staat is zijn medialiteit te verbergen, en daarmee een bepaald poëzie-ideaal verwezenlijkt dat veel ouder is dan dat medium. Vandaar waarschijnlijk dat de Kenners het onmiddellijk als Poëzie herkennen (daar zijn het tenslotte Kenners voor). Het berust op de mythe van een oorspronkelijke oertaal, een universele taal die niet gehinderd wordt door enige vorm van mediatie; poëzie zou dichter bij deze oertaal staan dan het proza van alledag. "De eerste mensen spraken in verzen," aldus Rousseau.

Natuurlijk vind ik dit problematisch. De grafische interface van Windows (of Mac) is reeds één en al verhulling. De "ramen" zijn niet transparant maar beschilderd, en kunnen in feite ook niet echt open. Het kloppende hart van zowel software als hardware blijft per definitie buiten beeld. Oosterhoff maakt vervolgens een obscurantistisch gebruik van deze toch al obscurantistische techniek.

Terwijl dit nieuwe medium fundamenteel talig is. Het wordt elke dag door alle mensen in de gedigitaliseerde wereld gebruikt om mee te schrijven. Wat ik eigenlijk zou willen zien = werk dat getuigenis aflegt van wat het betekent om elektronisch te schrijven (wat inmiddels iedereen doet, maar zonder daar bij stil te staan).

Eén ding dat mijzelf bijzonder fascineert: iedere keer als je op "Publish" of "Send" of "Save" drukt, of eigenlijk al bij iedere toets die je aanslaat, worden de letters van de taal die je spreekt omgezet in een code die je niet kunt lezen.

zaterdag, mei 20, 2006

Ja, sorry, ik werk aan een ding over Dirk van Bastelaeres nieuwe bundel, dus...

Ik ben aan het multitasken. Ik kijk naar Boer zoekt vrouw op Nederland 3 en lees Huub Beurskens recensie van 'De voorbode van iets groots' in de Standaard der Letteren. Het is puur toeval, maar jawel: ook Huub Beurskens is een "kwetsbaar mens" die "verleid [wil] worden"!

De poëzie van Van Bastelaere wil gewoon anale seks. Om mee te beginnen, tenminste.

Natuurlijk kan zo'n date niet goed eindigen.

Misschien is dat de hedendaagse definitie van "boerenlul": "een kwetsbaar mens die verleid wil worden"? De structuur van de recensie heeft in ieder geval de bekende "Ik ben natuurlijk gewoon een boerenlul, maar..."-vorm. Of in ieder geval de "Ik vind je wel heel erg slim, maar die slimheid intimideert me ook..."-vorm. Je zou bijna denken dat Van Bastelaere één van die bijzonder hoogopgeleide heteroseksuele vrouwen is die ondanks/dankzij hun algemene perfectie geen partner kunnen vinden!

Zie ook: de stemming/discussie op de Contrabas over het titelgedicht van de bundel.

Het meest interessante punt in die discussie vind ik het idee dat de gedichten niet interessant zijn omdat ze weigeren te "stollen". Dat is een redelijk fundamenteel poëticaal punt denk ik. Je kunt een gedicht waarderen omdat het een bijzonder goed geconstrueerd bouwwerkje is, d.i. een relevante inhoud gestold tot een bekoorlijke vorm. Maar je kunt een gedicht óók waarderen omdat het iets bijzonders doet met het medium. De eerste soort liefhebber houdt van gedichten (qua mooie objecten), de tweede van poëzie (qua iets interessants dat zich via gedichten manifesteert). Er zijn veel bloemlezingen voor de eerste soort liefhebber, weinig voor de tweede.

Absolute "ontstolling" is natuurlijk absolute vormloosheid, prosodische weekheid en algemene mistigheid, maar zuiver stolsel beweegt niet.

vrijdag, mei 19, 2006

Blog Division

Een nieuwe dag, een nieuwe blog: daarenbuiten geheten. Ik kreeg de link gemaild, vermoed ik, omdat de eerste post gedeeltelijk een reactie is op de Hirsi Ali discussie van een aantal dagen geleden, en omdat het template duidelijk van mij is gestolen. (Inclusief charismatisch stripfiguur!) Maar dat nemen we niemand kwalijk. Laat een biljoen blogs bloeien, zeg ik. Zeker als ze zo intelligent geschreven zijn als deze. (Dat herinnert me eraan dat ik toch eens wat meer systeem en volledigheid in mijn linkssectie zou moeten nastreven...)



*

Het internet laat me bovendien weten dat ik gisteren de sterfdag van Ian Curtis heb gemist. Tsk tsk. Eén van de belangrijkste dagen op de zelfmoordkalender! Om het goed te maken, een oudje van Dirk van Bastelaere:

CURTIS 1957-1980

"Ik ben zwart van geluk. Het is
Een doodstille dag waaruit de kleuren
Zijn weggezeefd, en neergedwarreld

In de mist, op je bed. Wanneer je ademt
Wordt het kil: de woorden tussen ons slaan neer
Als damp

En laten me niet los, want de afstand tot mezelf
Is de afstand tot het sterven.
Dat heb ik beslist en het wordt onbedwingbaar.

Dat benadert me langzaam als een gil.
Niemand weet wat mij ontbreekt,
Ik ben een kast van onbewogen zilver en het donker

Verzorgt me; toch beeft buiten geen blad
Dat zijn nerven in mij kwijt wil, geen stengel
Die me kan rechten.

De meeuwen zijn op de lucht gespoten
Vergif. De struiken zijn nat porselein.
Daartussen sta ik nog even toe

Als een raam dat je verbrijzelt
Als je het openen wil."

Het meest interessant vind ik de aanhalingstekens. Ze lijken overbodig. Ze zijn ook overbodig voor zover het duidelijk is dat het gedicht de status heeft van een dramatische monoloog. (Zoals alle lyriek, zouden sommigen zeggen.) Voegt de dichter enkel aanhalingstekens toe omdat hij bang is dat zijn gedicht gelezen zal worden als zelfexpressie? In dat geval functioneren ze om de fictionaliteit van het geheel te bevestigen. Ze sluiten dan niet alleen een monoloog in, maar ook een fictieve wereld die in de gesproken woorden wordt opgeroepen. Ze ronden de wereld af. Ze representeren de alfa en omega van het vertoog dat de wereld organiseert. Het centrum van de wereld is de oorsprong van het vertoog: de spreker. Elk landschapselement staat in metaforische relatie tot het gemoed van de spreker. Hij beheerst het landschap zoals hij zijn discours en zelfs zijn dood lijkt te beheersen. Zelfmoord lijkt hier opgevat als machtsfantasie: zoals mijn spreken begint en eindigt bij mezelf, zo begint en eindigt de wereld met mijn beslissing.

Een andere mogelijkheid is dat de aanhalingstekens niet functioneren om discours en wereld af te sluiten, maar integendeel, om ze binnenstebuiten te keren. In dat geval representeren ze een onderbreking van een groter discours. Ze bevestigen dan niet zozeer de fictionaliteit van de fictie -- zoals gezegd is dat retorisch gezien niet noodzakelijk: het is evident dat we met een dramatische monoloog van doen hebben --, maar eerder de reële tekstualiteit van elke fictie. De grenzen van het spreken staan dan niet in een hiërarchisch-continue relatie tot de spreker, maar worden van buitenaf aan zijn spreken opgelegd. De wereld is een fragment en de spreker een unheimlich landschapselement temidden van vele andere. En of de aangesproken "je" nu een persoon is of een personificiatie van de dood, wie of wat er na het sluiten van de haakjes ook aan het woord komt, het zal niet de spreker zelf zijn.

Beide interpretaties lijken me elkaar niet per se uit te sluiten. Evenmin hoeft de existentiële problematiek van Vijf jaar tegengesteld te zijn aan de tekstuele problematiek van Pornschlegel en andere gedichten. Of tekst aan existentie, for that matter. Maar ze zijn natuurlijk verre van hetzelfde.
*
Dance, dance, dance, dance, dance, to the video:
(Wie is de voordrachtskunstenaar aan het begin en einde?)

woensdag, mei 17, 2006

Ik weet het intussen niet meer met de zaak. Ik zie het ook nog wel eindigen met Rita en Ayaan in een gezellig duo-interview op tv. Ze hebben de afgelopen 48 uur immers hun voortdurende affectie voor elkaar niet onder stoelen of banken gestoken. En heeft Verdonk niet haar zachte kant laten zien nu ze buigt voor de hypocriete woede van het parlement? Rechtlijnigheid met een menselijk gezicht? Het kan allemaal nog in haar voordeel uitvallen, met de juiste spin. Ze is nu op Netwerk. Ze loopt door de duinen en over het strand, wind in het haar...

Wat we wel weten:

- De intellectuele elite (d.i. het proviniciale clubje bekende Nederlanders die wel eens een boekje of column schrijven) identificeert zich met de Geest eerder dan met de Letter der wet, d.w.z. met de Natie eerder dan met de Staat. Hiermee bevestigt ze alles wat Marx ooit over ideologie geschreven heeft. Hoe is een uitzondering maken voor Hirsi Ali en niet voor zoveel soortgelijke gevallen geen uitdrukking van een klassevooroordeel? Of om het wat populistischer te zeggen: vriendjespolitiek? Hoeveel van die professionele ondertekenaars e-mailen met Hirsi Ali? Of zouden heel graag met haar e-mailen? Ik vermoed heel wat. Ze is tenslotte beroemd in Amerika. En Amsterdam rijmt op Amerika. En waarom zouden we dan onder de indruk moeten zijn van die handtekeningen?

- "Het debat over de islam zal doorgaan! Jeuh!"

Wat het laatste punt betreft -- dat zgn. debat, die "dialoog" --, kwam ik vandaag toevallig bij Blanchot het volgende tegen:
Il suffit, dans quelque régime que ce soit, d'avoir entendu le "dialogue" entre
un homme préjugé innocent et le magistrat qui l'interroge pour savoir ce que
signifie cette egalité de parole à partir d'une inégalité de culture, de
condition, de puissance, de bonheur; or, à tout moment, chacun de nous est
un juge ou bien se trouve en présence d'un juge; toute parole est
commandement, terreur, séduction, ressentiment, flatterie, entreprise; toute
parole est violence -- et prétendre l'ignorer en prétendant dialoguer, c'est
ajouter l'hypocrisie libérale à l'optimisme dialectique pour lequel la
guerre n'est encore qu'une forme de dialogue.
Goed gezegd, Maurice.

dinsdag, mei 16, 2006

?





De revolutie eet haar eigen kinderen op? Verdonk valt waarschijnlijk ook, en hopelijk het kabinet. Maar vrolijk kan ik me er om een of andere reden niet om maken.

maandag, mei 15, 2006

Mogelijk geniale individuen geïnterviewd door klaarblijkelijke idioten, Part I

Charles Olson geïnterviewd in 1970. Olson is behoorlijk dronken, maar dat zou in het voordeel van zijn interviewer (ene Gerard Malanga) moeten werken. Tenminste, Olson lijkt relatief geduldig en praatgraag. Malanga echter gaat gewoon zijn lijstje cliché's af tot de tape op is. Voorbeeld:



INTERVIEWER
Is one of the ways by which contemporary poetry has tried to escape the rhetorical, the abstract, the moralizing---is it to concentrate its attention upon trivial or accidental or commonplace objects?

OLSON
I think you're an agent of a foreign power. A series of questions even the FBI . . . never in all my life in court or in secret have I known such questions! Who wrote this, did you? If so, leave my house! If not, then please, own up the ownership. Mr. Malanga, Signor Malanga, I will expose you to your nation.

Dat is op pagina 25. En dan gaat het gesprek nog 5 pagina's door!



INTERVIEWER
Let me try another. . .

*

Scott Walker geïnterviewd door een zgn. "muts" in "de jaren 80":






*

Bij wijze van toegift: geen genie, maar gelukkig wel de vrouw van een genie, geïnterviewd door Red:



Ik heb altijd het vage idee gehad dat ik iemand was die pas tot bloei zou komen
met hem erbij. Hem met een hoofdletter, de ware. Natuurlijk dacht ik later dat
ieder vriendje de ware was, maar sinds Arjan in mijn leven is heb ik dat niet
meer voor een ander gevoeld. Arjan heeft me leren relativeren. Vroeger zag ik
dat altijd als een zwaktebod, maar dat is het niet. Ik heb moeten leren dat
dingen naast elkaar kunnen bestaan en dat er meer kleuren zijn dan zwart of wit.
Ik had me zes jaar filosofie studeren kunnen besparen als ik Arjan eerder had
ontmoet.
Désanne voelt zich, ondanks emotionele en intellectuele onderwerping aan haar echtgenoot, verheven boven het plebs dat kinderen naar K3 laat luisteren en niet Tonke Dragt voorleest. Ze is duidelijk nostalgisch naar de tijd dat de zgn. culturele elite (dat clubje consumenten die zich meer wanen dan consumenten, en waartoe ze zichzelf zal rekenen) ook werkelijke macht had, of dat de varkens die toen ook al de dienst uitmaakten zich op z'n minst voordeden als beschaafde en gevoelige zielen. En ze heeft blijkbaar een heel boekje volgeschreven over de betreurenswaardige scheiding tussen goede smaak (Schubert, de Volkskrant...) en maatschappelijke autoriteit. Gelukkig is het bij haar thuis nog anders. Ja, het kind heeft een "abonnementje" (sic) op de Donald Duck. Maar, zegt Désanne, "bij het voorlezen maak ík de keuzen" -- bindend geadviseerd door Arjan natuurlijk.

Hmm...

Ik ben altijd een beetje tegen kinderboeken geweest. Om arbitrair persoonlijk-politieke redenen. Omdat ik ze nooit heb gelezen, herinnert hun bestaan me eraan dat ik niet uit het milieu kom van Désanne en Arjan (of Leon en Jessica for that matter) en God zij daarvoor geprezen.

*

In ander nieuws: Samuel Vriezen opent blog.

zaterdag, mei 13, 2006

DICHTERSALFABET: De G van Ghyssaert

Het kan het weer zijn (te warm!), maar ik voel me uiterst op mijn gemak in de schaduwrijkjes van Peter Ghyssaerts Kleine lichamen (Querido, 2005). Voetstappen zijn "vertraagd", stemmen "omfloerst", klokgelui is "fijn", en zelfs wonden blijken "mild". Typische kleur: "zilverig". Typische bewegingen: schuiven, wenken, draaien, trillen, flakkeren. Natuurlijk ontploft er ook wel eens een hart, maar het geweld in deze gedichten blijft over het algemeen subtiel. Dat wil niet zeggen dat het onopvallend of vrijblijvend is:

De zon maakt met haar fijnste diamantboor
kraters in het zwakke ijs.
De sneeuw smelt weg op het gazon
tot vingers -- dun, spierwit --
die ook hun laatste greep verliezen.
Het dooit of het nooit anders heeft gedaan;
het smelt alsof de aarde en haar steden
ijs zijn dat nog weg moet
om dit licht, dit licht
niet in de weg te staan.
("Neurose")
Schoonheid: ze werkt mij ook wel eens op de zenuwen. Uit het laatste gedicht in de bundel -- "Doop", een prozagedicht -- zou kunnen worden afgeleid dat de dichter een dergelijke fijne, traag werkende doch fatale schoonheid voor zijn poëzie nastreeft:

Ja, ik droeg hen allemaal, met lichte hand; ik had hun reis, eerst moeilijk en
langdurig, maar eenvoudig op het einde, in mijn hoofd voltooid. Nu ben ik weg,
en zij... Natuurlijk, u merkt niets, zij doen stil voort -- een mens raakt ook
maar langzaam van de weg af en zijn eerste duizeling is niet sterker dan een
pluisbloem -- maar het gaat steeds slechter. Zachtjesaan verkleumen zij en
zwerven uit de dagen weg, om neer te storten, bij de nuchtere barmhartigen,
begrijpt u?
Het verschil met "Neurose" is dat het zonlicht uit dat gedicht de sneeuw vernietigt (en mogelijk de aarde, en de steden...), terwijl de gedichten van "Doop" zichzelf vernietigen. Het licht is immers almachtig, onzichtbaar en onbegrensd; gedichten zijn kleine lichamen, relatief begrensde vormen waarin het absolute zich voor even naar binnen laat vouwen. Een naar binnen gekeerd absolute: dat kan niet goed gaan. Het is dan ook niet zo dat schoonheid vergankelijk is, maar iedere incarnatie van de absolute Idee van schoonheid, zoals een gedicht. "Doop" (en dus de bundel in zijn geheel) sluit zo af:

Druppels doen hun glinsterende werk op de terrassen. En verder kan ik niets dan
luisteren en raken aan de flanken van dat water.
Het zijn klassieke thema's. En Ghyssaert doet er geen geweldig nieuwe dingen mee.

De derde en laatste sectie van Kleine lichamen bestaat uit prozagedichten. Dat is een marginaal genre in de Nederlandstalige poëzie (onterecht!), maar nergens wijken de korte quasi-anekdotische teksten af van de negentiende-eeuwse, Franse standaard. De sectie heet "Trapjes" en dat zijn het: voorzichtige stappen in de richting van een soort punchline. De epifanie blijft noodzakelijk vaag (wie weet wat er precies in een epifanie plaatsvindt?), maar de epifanie zal hoe dan ook komen.

De eerste en tweede sectie bewegen als het ware naar de prozagedichten toe, d.w.z. de gedichten worden geleidelijk aan breder. Dat is een gimmick die misschien iets van de onderliggende proteïsche kracht van de gedichten moet suggereren (het vormloze absolute dat zich alleen uit kan drukken in relatieve vormen), maar het levert in de tweede afdeling soms regelafbrekingen op die ritmisch volkomen arbitrair lijken. En dat is nooit goed. In de eerste en laatste afdeling echter toont Ghyssaert zich een meester van de beheersing.

Een mogelijk bezwaar tegen Ghyssaerts taalgebruik is zijn veelvuldig gebruik van cliché's of bijna-cliché's. Denk aan: lege wachtkamers, welig grasland, troebel water. "Dat kan allemaal veel moeilijker worden gezegd!" Uh, ja, maar dat hoeft niet per se. Er is niet zoiets als een cliché an sich; het is maar hoe je een uitdrukking inzet. Als je doet alsof jij de eerste bent die in het diepst van zijn creatieve ziel op het idee is gekomen om de woorden "troebel" en "water" te verenigen, dan heb je een probleem. Maar Ghyssaerts discours pretendeert nergens bezield te zijn; het houdt het midden tussen de verhevenheid van een literaire traditie en "hoe men spreekt". En dat "men" leest eerder een zgn. kwaliteitskrant dan iets anders. Dat levert een beperkte, maar afgemeten en "beschaafde" toon op.

Iets té beschaafd wat mij betreft, en in zekere zin aan gene zijde van de literatuurgeschiedenis. Misschien zijn de gedichten gewoon te perfect, te esthetisch correct. Bij een gedicht als "De hemelvaart van de sterren" kan ik moeilijk kiezen tussen bewondering voor een dichter die zonder lollig of moeilijk te doen over sterren durft te schrijven en verdenking van een geperfectioneerde toon en vorm die van het wonder van die sterren een koel esthetisch object weet te maken.
De sterrenbeelden klimmen
uit hun waterputten 's nachts
en stijgen, vonken slaand
uit droog bewaarde vuurstenen.

Hun vlam wegdragend tussen dromend waaien
zijn zij vrij te wiegen
of metaal te smelten
of een nieuwe kou te maken;
steden die zij raken
dalen spoedig naar de aarde terug.

De sterrenbeelden stijgen, voegen
vuur bij vuur,
een donker veld bevruchtend
en zij zijn zo van de nacht
een delicaat
beschadigde bedrading.

Hoog gekomen boven
hoge, dunne bergen
zoeken zij de winterstilte van
hun constellaties,

schijnend, altijd schijnend
in de roerloze, gedempte putten
van hun oorsprong.

Kleine lichamen zijn soms extatische en soms mysterieuze, maar altijd gesloten gedichten. Het zijn ficties die een wereld voorstellen. Eén wereld. Het is een schaduwwereld, een wereld van verschuivingen en trillingen, maar daardoor des te meer de naar binnen gekeerde wereld van een esthetische fictie. Een beeld dat geregeld voorkomt in de bundel is dat van een deur die open staat. Deze deur biedt echter geen uitgang uit de wereld van het gedicht. Wat wordt gesuggereerd is een vorm van transcendentie, een ingang tot een hogere werkelijkheid, maar de deur in het gedicht is slechts een beeld voor het gedicht qua mogelijke wereld, qua fictie.

Natuurlijk, een gedicht "is" een wereld, en als zodanig is het in zichzelf gekeerd. Maar het moet ook zichzelf binnenstebuiten durven keren. Het moet een hand uit durven steken, zoals Celan zegt, en die hand kan niet slechts een beeld zijn. M.a.w. de poëtische wereld kan nooit helemaal gesloten zijn. Anders is een gedicht geen ontmoeting, maar slechts een vakantiehuisje van de alledaagse werkelijkheid: een plekje waar het prettig toeven is, maar dat gesloten is, juist omdat het op elk moment betrokken en verlaten kan worden. De lezer heeft altijd al de sleutel. Hij is de bezitter en bewoner van het gedicht. En je kunt nooit jezelf ontmoeten anders dan in een droom.
"[D]ie ons de hand schudden kennen ons / van bij onze geboorte", volgens Ghyssaert. Natuurlijk, want wij zijn het zelf!

Het ontbreekt deze gedichten niet aan geweld en vervreemding, maar het blijft pluisbloemig zachtaardig en fictief. Wat ontbreekt = urgentie, nood-zaak. En is dat niet de uitgestoken hand waar Celan het over heeft? Een soort ethische relatie: dat het gedicht gelezen moet worden?

(Esthetische ideologie: het gedicht dat niet gelezen hoeft te worden. Wat is "tijdloze schoonheid" anders dan het uitbesteden van daadwerkelijk lezen aan een Grote Lezer in de eeuwigheid?)

Het is zeker niet gemakkelijk om gedichten als die in Kleine lichamen te schrijven, maar het is misschien iets te gemakkelijk ze te (niet) te lezen.

donderdag, mei 11, 2006

DICHTERSALFABET: De G van Ghyssaert -- geaborteerd

Paul Celan zag geen wezenlijk verschil tussen een gedicht en een handdruk. Het zal geen handdruk tussen bekenden geweest zijn, waar Celan aan dacht. Minder nog een gouden handdruk, waarbij de lezer iets te winnen heeft. De handdruk besluit ook geen contract tussen dichter en lezer. Het lijkt sowieso onwaarschijnlijk dat de uitgestoken hand die van de dichter is. En toch, drong Celan aan, is zijn werk "ganz und gar nicht hermetisch".

Wil dat zeggen dat het wel degelijk wil "communiceren", zoals men dat noemt? Ik denk eerder dat het idee van een "hermetische" poëzie Celan nog te veel aan een communicatieve logica heeft herinnerd. Alsof het gedicht een boodschap is geschreven in geheimtaal... Het gedicht is überhaupt geen boodschap, of tenminste niet op de eerste plaats. Het is eerst een ontmoeting. Eerst schudden we handen, dan gaan we praten.

Eén ding dat over deze ontmoeting -- die dus geen ontmoeting met de schrijver en zijn boodschap is -- gezegd kan worden is dat ze een asymmetrisch karakter heeft: de lezer moet zich tot op zekere hoogte onderwerpen aan de tekst, terwijl hij niet kan weten waaraan hij begint (en misschien in principe altijd onzeker moet blijven over wiens hand hij nu eigenlijk denkt beet te hebben). (En wat betekent "beethebben" in dat geval?)

De plaats van ontmoeting? Ik zou zeggen: de fictie, de mogelijke wereld die een gedicht voorstelt.

*

De rest komt later.

*

Citaat van de dag:

Under communism there won't be any hoes anymore.
(Maoïstische muziekritiek op 2Pac! T-shirt materiaal.)

*

Foto van de maand: Maurice Blanchot en Emmanuel Lévinas:
Ik zie Blanchot (l) voor het eerst. Hij kijkt als Christus zonder koninkrijk, weerloos en toch trots.

Dacht L aan B toen hij schreef over het gelaat van de Ander?

(Ikzelf dacht ook even aan Dreyers Jeanne d'Arc. Maar Jeanne lijdt en bestaat als personage in dat lijden. Dit is noch lijden noch geestelijke overwinning op dat lijden. En nauwelijks een persoon. In hoeverre is zo'n blik stijl?)

maandag, mei 08, 2006

Voornemen voor 9 mei

Minder over "populaire" muziek schrijven. Voor je het weet eindig je als Joost Zwagerman. Voor. Je. Het. Weet.

Spoedig (MORGEN): De G van Ghyssaert.

Ondertussen... Er zijn van die feiten waarvan de waarheid de banaliteit van hun feitelijkheid overstijgt. Zoals: Nina Simone heeft in Nijmegen gewoond. Jullie wisten dat misschien al, maar geef toe: het is min of meer onbegrijpelijk dat ze überhaupt geleefd heeft, en op aarde nog wel! Maar in Nijmegen...

zaterdag, mei 06, 2006

Essay waar ik de tijd niet voor heb om het te schrijven #36

Een vergelijking van

- David Foster Wallace, Infinite Jest (1997)
en
- Cam'ron, "Sport, Drugs and Entertainment" (2000)

omdat het tegelijk wel en niet voor de hand ligt. (Mijn naam als ik een rapper zou zijn: Poor Yorick.)

*

Ondertussen wilmoet ik nog steeds iets over gangstarap schrijven, ideaal gesproken in de vorm van een dubbelrecensie van Derrida's Voyous en de 50 Cent film. Jammer dat ik eerst die film moet gaan zien...

In die context her(?)lezen: Olaf Zwetsloot zet Ice-T in tegen Giphart en Pfeijffer. Niet per se overtuigend; wel leuk. Maar waarom toch altijd Ice-"motherfucking"-T? De laatste had in 2001 (toen dit essay verscheen) al bijna 10 jaar geen relevante plaat meer uitgebracht.

vrijdag, mei 05, 2006

Geweld in hiphop

yo

En Karel Appel is ook al dood

donderdag, mei 04, 2006

Nieuwe Kerk

Het quasi-religieuze fundament van de democratie. Opkomst: dominee, schrijfster, militair. Nelleke Noordervliet: wonderbaarlijke middelmaat van de Hollandse intelligentsia. Arendt als cliché en evangelie. Het Kwaad als politiek-metafysische categorie. Het Kwaad als de Ander. Auschwitz als rechtvaardiging van de neoliberale staatsvorm (waarin NIET iedereen even ‘vrij’, laat staan ‘gelijk’, is; waardoor heel wat mensen NIET in ‘vrede’ leven; waarvoor niet iedereen zelfs maar BESTAAT). Onze leiders sereen blakend in het aura van het Kwaad van de Ander.

Het zal om de reden van dat aura zijn dat het ideologisch staatsapparaat er geen probleem mee heeft dat meer dan 80% van de Nederlanders gelooft dat de Tweede Wereldoorlog begonnen is vanwege de Holocaust.

Ideologie is, denk ik, minder een web van leugens, dan een dubieus associatiespel, waarin bepaalde sleutelwoorden door herhaalde nevenschikking met elkaar samen komen te vallen qua betekenis. (Bin Laden & Saddam, anyone?)

Maar:

- Vrijheid is niet hetzelfde als vrede (nergens zo vredig als in een isoleercel!)
- Vrijheid is niet hetzelfde als democratie (= een staatsvorm)
- Vrijheid is niet hetzelfde als tolerantie (= een vorm van onverschilligheid)
- Vrijheid is niet het exclusieve bezit van een natie (zelfs niet van de Verenigde Naties)

De enige reden om stil te zijn is dus werkelijk: de doden.

woensdag, mei 03, 2006

Drew Gardner leest "Chicks Dig War"

Flarf & Youtube = allebei awesome.



*

Eerder gemist: ik ben een epigoon van Chrétien Breukers! = ook awesome.

dinsdag, mei 02, 2006

DICHTERSALFABET: De G van Gerbrandy

Vervelend hè dat je vastzit aan de taal van je ouders en je dagblad? Je kunt wel besluiten geen concessies meer aan haar te doen, maar in wiens taal neem je dat besluit?

Stijl, volgens Proust, is een vreemde taal in de taal. Ja, het is Frans, maar het is ook Proust... Ja, het is Nederlands, maar ook Gerbrandy... Als je de taal van alledag verbindt aan de maatschappij (wat men spreekt en schrijft), moet je stijl verbinden aan het individu (wat jij spreekt en schrijft). Stijl is altijd zelfstilering. Zoiets als het cultiveren van een snor in tijden van gegeneraliseerde gezichtsgladheid... Je zou stijl dan op kunnen vatten als een naïeve, infantiele ontkenning van wat Lacan de symbolische castratie noemt: "Natuurlijk spreek ik hun taal, ik moet wel, maar, maar, maar ik spreek ook mijn eigen taal! Mijn stijl!" Schrijvers zijn die infantiele narcisten die denken dat ze meer zijn dan de betekenaar die de ander is. Gelukkig maar. Maar...

Cf. Drievuldig feilloos vals (Meulenhoff, 2005).

Gerbrandy's gedichten zijn vestingen, opgetrokken uit taal en tegen de taal, d.w.z. tegen de taal van alledag. Of: de taal opgerold als egels. "Weerbarstig" is het woord (dat alleen nog in poëzierecensies gebruikt wordt?)... "Subliem" is een ander woord... Maar deze gedichten zijn enkel subliem in retorische, niet in filosofische zin. Ze cirkelen niet rond een of andere onrepresenteerbare kern, een suprasensibel "onzegbare". Als de egel zich ontrolt, kijkt hij ons misschien even aan, maar rent dan weg. Er is niets. Niet: het Niets. Maar gewoon: niets. D.w.z. niets dan het foneem voelbaar in de mond, niets dan het lichaam in zijn meest slijmerige gedaante. Wat dat betreft zijn dit geen sublieme, maar mooie gedichten, schone gedichten. Ze zitten vol viezigheid, maar het is geësthetiseerde viezigheid. Feilloos vals.

Aan elk van deze stekelige kunstwerkjes werd zelfs een "bodem" toegevoegd in de vorm van een citaat. Er zou eens wat uit het gedicht kunnen vallen! De autonomie van het objet d'art moet blijkbaar nog eens bevestigd/verstevigd worden door een klassieke omlijsting. (Ik heb er een beetje genoeg van Mr Feminisme uit te hangen, maar inderdaad: 90% van de ondergrondse motto's zijn van behoorlijk dode alfamannetjes.) Vanwaar die chronische angst dat de gedichten niet op zichzelf zouden staan? (Ze staan prima op zichzelf.) En so what als er iets zou weglekken uit een gedicht, van de pagina, of wie weet, de wereld in?

Een cynische lezing is dat Gerbrandy simpelweg schrijft uit angst: angst voor de wereld, angst voor zijn lezers, angst voor "de taal van alledag". Kortom: angst voor het leven, zoals Rutger H. Cornets de Groot suggereert. Stijl is dan niets anders dan een pantser, een defensiemechanisme tegen de boze buitenwereld, die de schrijver als "banaal" terzijde schuift, zoals een bepaald soort preutsheid zich verbergt achter een gefingeerd blasé zijn. (De Engelsen zijn daar sterk in.)

Gerbrandy lijkt allesbehalve preuts, natuurlijk. Maar zoals er een esthetiek van de viezigheid is, is er een humanisme van het onbetamelijke. Denk: Rabelais, Joyce, Beckett. Maar dan netter, calvinistischer, met meer lijst... Een plaatje van het onbetamelijke, niet het onbetamelijke zelf...

Daarom heb ik eens een keer niet geciteerd. Elk citaat zou sterker zijn dan het gedicht waarvan het deel uitmaakt, en dus niet representatief. Gerbrandy's geweldige poëzie wordt gegijzeld door zijn mooie, menselijke gedichten.

maandag, mei 01, 2006

1 mei

I looked around me at the mist burning off of the valley, and I did one of those awesome sun salutations the yoga people do. Some poppies planted along the terrace were tipping a little in the slight morning breeze, indeed the whole pale sky seemed to be tolling weakly like a little bell, yet I did feel sober as ever. I turned around and looked through the door to where Brigid was sitting up naked in bed. "Democratic socialism!" I shouted. "Only more democratic, and more socialistic, than ever before!"

Kunkel
Indecision
n+1