Send As SMS

zondag, oktober 30, 2005

Afval van een essay

[...]

Volgens Julia Kristeva had Stalin goede redenen om dichters te vervolgen. In een totalitaire samenleving is het woord van de dichter bedreigend, omdat het op de eerste plaats een woord is, een ding, en pas op de tweede plaats een verwijzing. In de ogen van de despoot is elke obscuriteit een potentiële bedreiging; absolute macht maakt absoluut paranoïde. Deze paranoia gaat gepaard met in ieder geval twee noodzakelijkheden: een geheime politie, en de eis tot volledige transparantie van het publieke discours. Het woord van de dichter – ritmisch, materieel, mythologisch – voldoet niet aan deze laatste eis, en de despoot kan het enkel interpreteren als een mogelijke bedreiging, een boodschap in geheimtaal. De despoot is altijd aan het interpreteren en decoderen, zoals Deleuze en Guattari ons vertellen, en hoe ‘poëtischer’ – ritmischer, materiëler, mythologischer – het gedicht wordt, d.w.z. hoe minder het gedicht op een boodschap begint te lijken, hoe méér de despoot ervan overtuigd raakt dat het een boodschap is. Nu heeft hij in zijn wantrouwen niet per definitie ongelijk. Ironisch genoeg is het juist de ambivalente sociale status van poëtisch taalgebruik – publiek noch privé – dat de dichter een figuur maakt die in het openbaar misschien net datgene kan zeggen waarover de staatsmedia moeten zwijgen. De dichter staat dan ook niet zelden in veel hoger aanzien onder de bevolking van een totalitaire of despotische staat dan in een democratie; hij heeft hier een groot maatschappelijk belang; zelfs al zingt hij vanuit de diepste wanhoop, zijn naakte zingen is op zich het teken van een vage hoop. De despoot kan dit natuurlijk niet toegeven en beschuldigt Majakowskij van ‘individualisme’.

In onze samenleving wordt het woord van de dichter misschien niet minder gesmoord. Nee, de dichter wordt niet verbannen of tot zelfmoord gedreven. Integendeel, men laat hem voort babbelen, bundel na bundel. De dichter mag zoals iedereen meedoen aan het publieke discours, waar iedereen zijn mening mag geven over alles, en dat dan ook doet, zonder enige repercussies maar ook met bijzonder weinig resultaat. Wat moet een dichter in een samenleving waar de vrijheid van meningsuiting boven alle andere vrijheden wordt gesteld, en zelfs een soort sinistere plicht wordt? Er wordt hem vaak verweten dat hij niet communiceert. Maar met wie zou hij moeten communiceren? Zijn historisch publiek – de aristocratie – is al eeuwen uit het theater van de geschiedenis verdwenen, en de dichter zelf is door kleinkunstenaars van het podium verdreven. De dichter heeft geen publiek, enkel consumenten – en van hen slechts een handjevol, want het gebabbel van de dichter is een acquired taste. (Dit geldt misschien zelfs voor zgn. light verse.) Dit elitair gebabbel geeft de elitaire consument het gevoel uit te stijgen boven de massa die woorden enkel gebruikt om pizza’s te bestellen; hij is een estheet, een aristocraat. Maar helaas, de feodale maatschappij komt niet terug, en de lezer blijft een consument, en dus – hoe belezen of fijnbesnaard ook – een filistijn.

Niettemin, poëzie zal er zeker niet méér toe doen als het gebabbel minder elitair wordt. Hogere verkoopcijfers en meer dichters in televisiespelletjes: zouden die een bewijs kunnen vormen van het belang van poëzie? Allerminst. Poëzie doet ertoe, niet zodra ze beter geïntegreerd is in de markteconomie en de ouwehoerindustrie, maar zodra ze zich daar effectief tegen weet te verzetten.

(Vgl. Walter Benjamin over Zola: "Wenn Zola das Frankreich der sechziger Jahre hat darstellen können, so darum weil er das Frankreich dieser sechziger Jahre ablehnte. [...] Und wenn es den heutigen französischen Romanciers nicht glückt, das Frankreich unserer Tage darzustellen, so darum, weil sie schliesslich alles an ihm in Kauf zu nehmen gesonnen sind.")

Er is poëzie, denk ik, die dat kan. Niet veel, maar dat is nooit zo geweest. Tegenover alle belangrijke dichters die Stalin op een of andere manier geëlimineerd heeft of het werken onmogelijk gemaakt, staan immers de vele onbelangrijke dichters die blijkbaar het uitroeien niet waard waren – waarschijnlijk omdat ze een boodschap hadden die gemakkelijk was te begrijpen, zelfs door de despoot: zijn eigen boodschap.

Het is naïef om te denken dat een democratie niet haar eigen officiële dichters zou hebben; in feite valt elke dichter zonder kritiek en zonder verbeelding onder deze rubriek. En anders dan in het Rusland van Stalin, waar het paranoïde gebod tot transparantie het discours beheerste, zijn dat in onze situatie wellicht juist de dichters die geen enkele boodschap willen hebben. Het neigen van poëzie naar betekenisloosheid – als hypothese of poëticaal programma – mag niet bijzonder opzienbarend heten in een samenleving waarin het gelul dat wij zijn – om Hölderlin te parafraseren – niet veel meer is dan dat: gelul. (Zoals minister Verdonk zegt: ‘Als je het niet met het beleid eens bent, kun je erover praten.’)

[...]

dinsdag, oktober 25, 2005

DICHTERSALFABET: De D van Duinker

Ik roep hierbij mijn vorige log uit tot het eerste deel van "De D van Duinker". Dat kan ik zomaar doen, omdat De zon en de wereld inderdaad bij Verwijs*) in de kast staat, en ik heb wel eens eerder een bundel besproken die ik had aangeschaft in een sympathiekere boekhandel. Ik heb ook wel eens eerder een sprong in de alfabetische tijd gemaakt, dus Maarten Doorman en Bart FM Droog komen later wel.

(Voor mijn nieuwe lezers: het Dichtersalfabet bestaat uit Nederlandstalige dichters wiens bundels ik heb aangetroffen in de poëziekast van Verwijs*) in Den Haag.)

Vandaag dus: deel twee van "De D van Duinker".

Samuel Vriezen schrijft over De zon en de wereld:

de naam van de dingen - van de zon in het bijzonder - wordt bijkans zo aggressief in je gezicht gesmeten dat je na enige tijd begint af te vragen of de dingen nog wel bestaan
Die aggressie merk ik niet zo. Ik denk wel dat, door de vele herhalingen en het gebrek aan elke vorm van discursieve hiërarchie, de werkelijkheid uit de dingen trekt, zodat een soort schimmenwereld overblijft. Zijn poëzie is dus, ondanks de opsommingen van concrete zaken waar Duinker bekend om staat, eigenlijk bijzonder onwerelds. "Zingen tot de aan de rand van het bestaande," zegt "de Indiase zanger" in Misschien vier vergelijkingen (2002). En er zal vast wel iemand vóór mij De zon en de wereld met mantra's vergeleken hebben.

Dat de dichter die meerdere malen verklaart zich van alle begrippen en ordende principes te willen ontdoen om door te stoten naar de beleving van het singuliere ding -- "Als je mij abstracties geeft, / Geef ik jou een waaier van hout" -- uitkomt bij een soort boeddhisme, is niet helemaal verrassend.

Dat wat absoluut uniek is, wat geen enkele relatie heeft tot andere dingen, wat nergens onder valt, wat door niets wordt bepaald en niets bepaalt, ís niets. Of om het eens Hegeliaans te zeggen: het onmiddellijke, dat wat niet door een begrip (voor Hegel minder een algemene definitie dan een "samenvatting" van context) gemedieerd wordt, is niet concreet, maar abstract. De concrete details in Duinkers poëzie zijn dus misschien niet zo concreet als ze lijken. Het zijn contextloze schimmen, waaruit de wereld weg is getrokken of bezig is weg te trekken.

Ik ben er nog niet uit of die schimmen (abstracte) beelden zijn of (begriploze) woorden. M.a.w. is Duinker een visionaire mysticus of een taalmysticus?

maandag, oktober 24, 2005

Hoi

Ik ben op essayvakantie. Betekent: geen tijd voor substantiële updates.

Ik lees De zon en de wereld van Arjen Duinker (Meulenhoff 2003). D.w.z. ik lees "De wereld" en luister naar "De zon": twee tweestemmige gedichten, de één in audio, de ander op papier. Erg Gertrude Stein wat betreft de herhalingen, doch dualistischer. Maarten Doorman snapt niet what the big deal is. Maar ja.

Ik snap wel waarom een cd is bijgeleverd. Twee verschillende stemmen (die van Duinker en Kees 't Hart) horen is toch iets anders dan twee verschillende drukwijzen (neutraal en vet) lezen. Een stem kun je sowieso moeilijk horen in letters, hoewel we wellicht altijd een stem achter de tekst aannemen. Maar TWEE stemmen, als het gaat om het verschil tussen die twee, de herhaling van een verschil, d.w.z. een ritme... Wordt moeilijk. Zeker met eenvoudige, "onpersoonlijke" regels als deze uit "De wereld":

Beeldschoon beeldschoon en traag
Zonder beelden
Zonder beelden
Niet als beelden
Niet als beelden
Zonder beelden
Zonder beelden
Beeldschoon beeldschoon
En traag

Je mist, denk ik, misschien niet het verschil in intonatie, maar wel het verschil in toon, als je het gedicht niet kunt vergelijken met de audio van "De zon". En dus mis je wat het gedicht drijft.

"De wereld" is trouwens wel te beluisteren op internet: hier (een eerdere versie?). Naast "De zon" (een eerdere versie?).

donderdag, oktober 20, 2005

Happy birthday Arthur Rimbaud

Je reviendrai, avec des membres de fer, la peau sombre, l'oeil furieux: sur mon masque, on me jugera d'une race forte. J'aurai de l'or: je serai oisif et brutal. Les femmes soignent ces féroces infirmes retour des pays chauds. Je serai mêlé aux affaires politiques. Sauvé.

Maintenant, je suis maudit, j'ai horreur de la patrie. Le meilleur, c'est un sommeil bien ivre, sur la grève.


*

"Jongere moet werkritme opdoen":

Een nieuw te vormen banenpool neemt de werklozen in dienst, leidt ze op en zendt
ze uit naar ondernemers. Omdat het financiële risico van ziekte bij de gemeente ligt, zijn ondernemers bereid mensen in te zetten die lang niet gewerkt hebben. Wat ook helpt zijn het administratieve gemak en de flexibiliteit - bedrijven kunnen zó van deze werknemers af. "Dat heet maatschappelijk verantwoord ondernemen'', zegt Van der Sluis, "maar het is natuurlijk gewoon zakelijk denken''.


Maak een notitie van: de totale passiviteit van "de werklozen" in deze passage uit NRC/Handelsblad. Werkloze = lijdend voorwerp. Ondernemer = protagonist van het heldendicht dat de massamedia ons elke dag voorschotelen. Nee, hun cynisme weiger ik te zien als vorm van kritiek. (Boven en onder dit artikel staat reclame voor dit.) "De grenzen tussen de afdelingen Economische Zaken en Sociale Zaken vallen weg." "Relaties tussen mensen verschijnen als relaties tussen dingen." (HANDEL, schat.)

*

J'ai horreur de tous les métiers. Maîtres et ouvriers, tous paysans, ignobles. La main à plume vaut la main à charrue. - Quel siècle à mains! - Je n'aurai jamais ma main.

woensdag, oktober 19, 2005

Ondermijnen, ondermijnen, ondermijnen

Naast het kleinburgerlijke anti-intellectualisme waarmee ik ben uitgediscussieerd, vermoed ik dat het het werkwoord "ondermijnen" is dat emotionele en ondoordachte reacties als deze oproept. Stel je voor dat een gedicht iets anders zou doen dan je geruststellen! Het is een rampzalig cliché, "ondermijnen", jawel. Maar misschien is de hysterie die volgt op het uitspreken ervan dan toch weer een aanwijzing dat er wel wat in zit. Het woord zelf lijkt al iets te ondermijnen, niet in de laatste plaats lees- en spellingsvermogens. Dus verlopig zullen we het maar blijven gebruiken: "ondermijnen". Alternatieve voorstellen kunnen hieronder worden gedeponeerd.

dinsdag, oktober 18, 2005

DICHTERSALFABET: De D van Degenaar

Ik dacht toch werkelijk dat ik zelf de term had uitgevonden, maar als dat klopt, dan kan Ron Silliman mijn gedachten lezen: softsurrealisme. Ik wil er niettemin mijn eigen invulling aan geven. Daar gaan we.

Softsurrealisme is analoog aan softporno. U heeft misschien wel eens een softpornofilm gezien: geen primaire geslachtsdelen, enkel borsten en bewegende achterwerken, glanzende ruggen, en dat alles sfeervol verlicht en begeleid door panfluitmuziek. Ik weet niet of er een pleidooi te houden is voor de deugden van hardcore pornografie, maar zij is in ieder geval niet "sfeervol verlicht".

Het interessante is dat harde porno nooit kitsch kan zijn. Kitsch vooronderstelt een zekere sentimentele visie op de mensheid, die ook op lullige lokaties, niet met seks omwille van de seks te verenigen is. Softporno, daarentegen, is bijna automatisch kitsch. Ook hier draait het om seks, maar die is thematisch ge-airbrusht (sic) met passie, humor of zelfs liefde, en formeel door het buiten beeld laten van precies het centrum van onze aandacht. Liefhebbers van softporno zullen misschien zeggen dat het niet om platte seks gaat, maar om "erotiek". Het is echter precies die absurde pretentie die haar kitsch maakt.

Softsurrealisme is niet per se kitsch, maar het deelt met softporno de aantrekkingskracht tot dat wat in naam van de beschaving nog steeds uit het zicht van "het publiek" moet worden gehouden. Iets pathetischer geformuleerd: dat wat een samenleving in principe buiten moet sluiten of marginaliseren om een rationele orde te waarborgen: het "primitieve", irrationele, abjecte, het absoluut hopeloze... Softsurrealisme heeft van verre zicht op de angstaanjagende geslachtsdelen van het onderbewuste, maar i.p.v. ze recht in de ogen te kijken (natuurlijk hebben ze ogen, die verschrikkelijke organen!), werpt het een verhullend, "sfeervol licht" op hen.

Dit is het licht van de vervreemding. Een softsurrealistisch gedicht presenteert een alledaagse situatie die nét een beetje minder alledaags wordt; een stukje chaos of waanzin dringt de gebruikelijke orde binnen. Die werkelijkheid wordt echter op geen enkele manier ondermijnd. Het is eerder andersom: de banale werkelijkheid krijgt door dit stukje chaos een glans die het daarvoor niet had.

"Afwas"

Nadat ik van theedoek was gewisseld
begon de afwas.

Het werd een prachtige afwas
vol dramatiek
maar ook heroïek.

Kopjes braken en borden vielen
zoals ze nooit vielen (sommige zelfs naar boven).
Een enkeling wist zich voort te planten
terwijl het mes, ja een mes -- denk je --
verkleed als kruimel
zich een weg baande door de afvoer.

Ik heb toen basta gezegd, oké, maar hierna
was ik jullie nooit meer af. Horen jullie dat?

Reacties als: je zult uithongeren.
Moordenaar. Zelfs: bel onze fabrikanten lekker.

Toen ook de theedoek (die nieuwe) zich
ermee ging bemoeien zo van
wat had je dan
heb ik de tv aangezet
en een jaar lang
zwaar vermagerd
programma's gevolgd
over veldslagen en gewichtsloze koffie.
Ons leven speelt zich af tussen de tv en de afwas. Dat lijkt me een evenwichtige inschatting van het bestaan van de gemiddelde Europeaan in 2005. Aan de afwas is niet te ontsnappen zonder uit te hongeren; aan de tv is wellicht helemaal niet te ontsnappen. Er spreekt uit dit gedicht, ondanks de luchtige toon en wellicht onbewust, een diepe, existentiële wanhoop. Wanhoop hoeft niet per se bewust te zijn, volgens Kierkegaard. Sterker nog, het meest oppervlakkige geluk -- het "geluk" dat opiniepeilers bedoelen als men mensen vraagt of ze gelukkig zijn -- kan een symptoom zijn van de diepste wanhoop. Wanhoop is ook minder een stemming dan de onmogelijkheid om je ergens aan te kunnen binden, om ergens voor te leven, en niet geleefd te worden door je omgeving, door de afwas en de televisie.

De wanhoop -- het grote gapende gat onder onze maatschappij waarin alles en iedereen zijn functie heeft maar waarin het functioneren zelf iedere zin ontbeert -- krijgt gestalte in de vijandelijkheid van het keukengerei. Ons gereedschap heeft óns nodig, niet andersom; het drijft ons aan met onbekend doel, terroriseert ons, bedreigt ons. Het enige alternatief voor de protagonist zonder drama of heldendicht is de televisie, d.i. passieve consumptie.

Zoveel onverdraaglijke waarheid: kan dat wel goed gaan?

Het komt goed. De softsurrealistische vervreemding staat uiteindelijk in dienst van de bevestiging van de dingen zoals ze zijn d.m.v. een epifanische consumptie. De verbeelding van de consumptie wordt zelf geconsumeerd in de vorm van de obligate verwondering waarmee zoveel softsurrealistische gedichten eindigen. We horen van tv-programma's "over veldslagen en gewichtsloze koffie", en ongetwijfeld worden we geacht te denken: "Wat een wonderlijke combinatie. En wat zou gewichtsloze koffie zijn?" En de sprekende theedoek, in al zijn gewelddadigheid, wat is hij meer dan een disneyfisering van het huishouden? Het is eigenlijk wel verwonderlijk allemaal, dit leven, niet?

Dit is een goed gedicht, goed geschreven, maar het is niet sterk (om me Samuel Vriezens onderscheid maar eens toe te eigenen). De horror is er enkel voor een authenticeitseffect. "Om de consument een versbeleving te geven," hoor ik een sapproducent zeggen op Nederland 3.

maandag, oktober 17, 2005

Correcties

Ik heb hieronder het een en ander herschreven. Ik beloof mezelf niets meer 's avonds laat te publiceren. De volgende ochtend word ik wakker en bedenk dat ik wat stoms gezegd heb, en dan blijken al 30 mensen het op z'n minst gezien te hebben, en een aantal daadwerkelijk gelezen!

Het was niets werkelijk stoms, trouwens, dit keer, enkel wat ongelukkige formuleringen. Het heeft niet veel zin het te herlezen.

zondag, oktober 16, 2005

Traagste blog van Nederland

Hallo vrienden.

Het kan zijn opgemerkt. Ik doe het wat rustiger aan. Vanwege? Werklast en deadlines. En ik weet nog steeds niet weet wat ik over Danny Degenaar moet schrijven. (Ik wil niet schrijven: "belofte".) Ik heb wel eindelijk tijd gevonden om Bas Bellemans "Doet poëzie er nu eindelijk toe?" te lezen. (Eindelijk; wie zei dat dit een medium voor snelle reacties is?) Een essentiële vraag, die volgens mij door de poëzie zelf al sinds de Romantiek gesteld wordt. Waarom kwamen die dichters met zulke bizarre claims en ongehoorde ambities? Uit angst voor irrelevantie. Is mijn hypothese. En die angst was ook gefundeerd, want het "natuurlijke" publiek voor poëzie was immers altijd de aristocratie geweest, en de laatste werd met (o.a.) de Franse revolutie voorgoed uit het theater van de geschiedenis verwijderd. Sindsdien heeft de serieuze dichter een probleem. Een expliciet burgerlijke poëzie kan nl. slechts lachwekkend zijn (Biedermeier). De Romantische dichters spraken dan ook minder tot een publiek dan tot zichzelf qua Universele Mens (Wordsworth) of tot abstracties (Shelley). Later sprak men enkel tot de Poëzie, of liet haar zelf spreken. Nog weer later, onder invloed van Marx, kregen sommige dichters het idee dat het proletariaat interesse had in de jambische pentameter.

Gorter had het mis, menen de meeste critici, en sindsdien kan het niemand meer wat schelen wat dichters doen, zolang ze het maar "mooi" doen. (Ik generaliseer, maar...)

Belleman lijkt een nieuw pleidooi te houden voor proletarische poëzie. Zo definieert hij relevantie ("er toe doen") in termen van aandacht in de media. Belleman schrijft:


Hoe kan het toch dat andere kunstvormen, zoals rap, beeldende kunst of toneel,
vaak het nieuws halen en de poëzie niet? In Rotterdam zijn de makers van de
Hirsi Ali Dis veroordeeld vanwege hun dreigementen.
Ik wilde zeggen: "Schrijf eens een anti-Hirsi Ali gedicht, en je zult zien wie er allemaal over je heen valt!" Maar Belleman zegt zelf even later: "Het is de schuld van critici en dichters zelf. Zij houden de inhoud moedwillig buiten de publieke arena." Ben ik met hem eens. Nee, nu ben ik niet meer sarcastisch. (Hoewel ik rap geen kunstvorm vind, en echte liefhebbers, volgens mij, eerder van "hiphop" spreken.) Hirsi Ali gedichten, nu! Of eigenlijk: gisteren!

Maar ik blijf fundamentele bezwaren houden tegen "de publieke arena". Wat is precies het publiek? De vraag is of er überhaupt een publiek is, los van de mediamarkt. (Zelfs Al Gore twijfelt eraan.) Voor poëzie lijkt de aristocratie in elk geval nooit als vanzelfsprekend publiek te zijn vervangen, waardoor het schrijven van verzen overkomt als een aristocratisch verzet tegen een prozaïsche wereld. De poëzie heeft misschien lezers, maar geen publiek. Met andere woorden: er is niemand die op gedichten zit te wachten, ook niet als het gedichten over actuele of "algemeen menselijke" zaken zijn. De interesse is dan in het onderwerp, niet in de poëzie.

Ik ben het dus maar half eens met de eis tot meer "inhoud". Belleman geeft estheten en postmoderne formalisten een veeg uit de pan -- terecht; die lui krijgen niet vaak genoeg klappen van de werkelijkheid; hoewel ik zo niet weet wie die postmoderne formalisten zouden moeten zijn; áls ze echter bestaan... --, maar zal toch niet kunnen ontkennen dat wat een gedicht onderscheidt van een krantenartikel of een rouwadvertentie nu juist zijn "vorm" is.

Wat wil ik dan? Ik maak het bekend zodra ik het weet! In ieder geval iets mét Hirsi Ali en zónder "publiek". Eén van de dingen die zullen moeten worden overwonnen: de tegenstelling vorm/inhoud.

*

P.S. Ook eens met: "De taak van de criticus: het duiden van poëzie is ook het duiden van de cultuur."

woensdag, oktober 12, 2005

Hmm

Ik schrijf over een dichter en ik krijg een x-aantal bezoekers. Ik schrijf over een neerlandicus en ik krijg twee keer zoveel bezoekers.

Is de kunde interessanter dan de letter?

*

UPDATE: Ik heb de foto van Jan de Roder hieronder weggehaald om elke suggestie van een "gevecht tussen wetenschappers" (zie hier) weg te nemen. Het gaat om ideeën, argumenten, etc. Ik heb de foto van de Cobra Commander laten staan, hoewel ik geen idee heb waarom ik die daar geplaatst heb.

dinsdag, oktober 11, 2005

Enigszins onsamenhangend stuk, waarschijnlijk; maar toch wat argumenten

Mocht u het commentaar onder het vorige bericht niet gelezen hebben: ik ben een flapdrol. Jan de Roder heeft wel degelijk zijn hypothese gepresenteerd aan een internationaal, wetenschappelijk publiek! O.a. hier. Ik heb geen zin om van Poëzienotities een academisch weblog te maken, dus ik kan u niet beloven dat ik voortaan meer en beter research zal "doen". Maar het blijft natuurlijk onjuist. (En pijnlijk!) En in plaats van mijn sporen uit te wissen zal ik de onrechtvaardigheid hier nog eens rechtzetten. Bij deze.

*

MAAR ZOU HET KUNNEN dat ik helemaal niet op de hoogte was van de bewuste artikelen omdat ze niet zo spraakmakend waren zls De Roders eerdere interventie die "de literaire wereld op zijn kop zette"? Taalkundigen en antropologen met de voeten in de lucht? Ik weet het niet. D.w.z. ik weet het echt niet. Ik ben redelijk autistisch. Literatuurwetenschap houdt zich wat mij betreft bezig met literatuur als literatuur. Literatuurgeschiedenis bijvoorbeeld is net zo min literatuurwetenschap als een boek over dierentuinen in de Gouden Eeuw noodzakelijk voer is voor biologen. Zo denk ik ook niet dat antropologie of biologie ons iets kunnen leren over literatuur in haar eigenaardigheid. Die eigenaardigheid heeft ze immers niet te danken aan haar oorsprong of haar geschiedenis, maar aan de manier waarop een lezer leest. Voorbeeld: het is niet moeilijk om een gedicht op onpoëtische wijze te lezen ("het gaat over sla"), en met enige moeite kunnen we zelfs een krantenartikel poëtisch lezen. Wie leest Lucretius -- u weet wel: de Latijnse filosoof die in verzen schreef -- als een dichter? Maar wie leest Nietzsche zonder oog voor de literaire kwaliteiten? Naast alle conventies en vanzelfsprekendheden is poëzie uiteindelijk een kwestie van een beslissing. De lezer beslist dat hij een gedicht of iets dichterlijks in handen heeft. Er is geen enkele noodzakelijke reden voor het bestaan van literatuur of poëzie.

Bovendien, ik heb mijn twijfels over de poging om antropologie en taalkunde m.b.t. poëzie te verzoenen. Ik twijfel ook aan het beschrijven van de ontwikkeling van een taal in termen van de evolutietheorie. Maar ik ben niet thuis in die respectievelijke vakgebieden, en durf hier niet een al te zeker oordeel te vellen. Ik weet echter zeker dat je er Derrida of Lacan niet bij kunt slepen; die hebben een begrip van taal en betekenis dat Chomsky niet zou erkennen. En zeker Derrida zou niet onder de indruk zijn van De Roders zoektocht naar de oorsprong van de taal. (Vgl. zijn kritiek op De Roders illustere voorganger, Jean-Jacques Rousseau, in De la grammatologie.)

Dat is wat ik bedoel met een min of meer willekeurige mix van heterogene elementen. Als ik bovengelinkt artikel lees kom ik (te) veel citaten en verwijzingen tegen over betekenis, betekenisloosheid en ritme. Maar bedoelt Alexander Pope hetzelfde met het woord "betekenis" als Derrida of de New Critics? Het lijkt me sterk. Naast die drie woorden: een reeks synoniemen. D.w.z. De Roder heeft bepaald dat zij synoniemen zijn voor "betekenis", "betekenisloosheid", "ritme" respectievelijk.

Ondertussen lijkt hij "betekenis" in zijn inleiding breder op te vatten dan in de body van de tekst. In de inleiding is "betekenis" bijvoorbeeld ook "connotative and associative values of words and . . . the multiple functions of figurative language" (hij vat samen wat "betekenis" voor de New Critics betekent). Maar als De Roder met zijn bekende hypothese op de proppen komt blijkt "betekenis" gereduceerd te zijn tot referentie: "Rituals are meaningless in the sense that they are pure acts: only the correct performance of the acts counts, not their supposed reference."

Ik heb nog niet hard nagedacht over rituelen, maar wat betreft de taal is referentie slechts een bijzonder smalle opvatting van betekenis (nl. denotatie). De New Critics bijvoorbeeld -- De Roders stroman -- bedoelen met "meaning" iets anders dan "message" of "statement", zoals De Roder min of meer zelf al opgemerkt heeft in zijn inleiding. (Vgl. ook de "Preface" van de latere edities van Understanding Poetry.) En wat te denken van speech acts, woorden en zinnen die minder verwijzen dan een daad verrichten? Het "Ja" op het altaar is een standaard voorbeeld. Dat is taal als performance. Betekenisloos ritueel? Integendeel.

Als het een antropologische platitude is dat een ritueel betekenisloos is omdat het nergens naar verwijst, dan zal dat zijn omdat er een bepaald concept van betekenis wordt gehanteerd (betekenis = referentie, denotatie); de antropologen hebben er wellicht goede redenen voor. Maar zodra we het hebben over taal, dan kunnen we zo'n reductief concept niet handhaven. Waarom zouden we dat doen?

Bijvoorbeeld om een ontdekking te ensceneren.

Want: er blijkt meer aan de hand! Taal is niet alleen referentieel! Taal vindt zijn oorsprong in betekenisloze rituelen! Dat zou o.a. blijken uit de structuur van de syntaxis, die inderdaad "leeg" is van elke referentie; ze wordt a.h.w. opgevuld met betekenis. (Vanaf nu zal ik "betekenis" steeds in De Roders zin gebruiken.)

De link die De Roder legt tussen syntaxis, ritueel en ritme vind ik bijzonder fascinerend, en zelfs overtuigend. Overtuigend in de zin dat syntaxis, ritueel en ritme inderdaad op elkaar lijken. Maar de aard van de relatie... Het is inmiddels bekende kost, maar nu leest u het ook eens in het Engels:

One of my hypotheses is that the rhythmic layer of poetry, the prosody of poetry, like syntactic structure, is an empty pattern, going back to the structural principles of ritual. Rhythmic patterns in poetry are thus instances of pure acts in the ritual sense, and as a consequence poetry is a form of language use in which the ritual basis of language is experienced. The poetic experience is a reflection of the physical sensation associated with ritual; this effect was secondary in rituals, but has become primary in poetry, another example of exaptation.
Ritme in poëzie "goes back to" fysieke rituelen. En ritme loop vooruit op syntaxis. In die zin is poëzie "a sort of missing link takes up a position between age-old rituals and natural languages". Volgens De Roder kennen mensapen ook rituelen, en poëzie is dus in feite de "missing link" tussen de chimpansee en de sprekende aap. De Roder is Rousseau, Darwin én Jakobson. Maar dan beter.

Maar wat betekent "going back to" eigenlijk? "Afstammen" natuurlijk; een genealogische relatie. Maar in de laatste zin zegt De Roder dat de poëtische ervaring een "reflection" is van het fysieke aspect van rituelen. Maar een relatie van reflectie is zeker niet per se een relatie van afstamming. Zeggen dat poëtisch ritme lijkt op rituelen is iets anders dan zeggen dat het één afstamt van het ander. Een walvis lijkt op een vis, maar heeft andere voorouders. Of andersom: veel blanke Australiërs stammen af van criminelen, maar dat maakt ze niet per se crimineel, of doen neigen tot criminaliteit. Zo neigt poëzie ook niet per se tot de non-referentialiteit van ritme. (Ja, veel "maars".)

De Roder is in de war wat betreft de relatie tussen ritme en poëzie. Als we aannemen dat poëtisch ritme een aantal kenmerken vertoont die lijken op die van een ritueel -- de analogie is, met enige kanttekeningen, uiteindelijk overtuigend --, dan zegt dat nog niets over enige continuïteit tussen de twee, laat staan dat de laatste de oorsprong is van de eerste. Natuurlijk, het is een hypothese: dat wat bewezen moet worden. Maar een hypothese moet toch op iets meer gebaseerd zijn dan een vaag vermoeden op basis van een analogie?

(Als De Roder het volgende voorbeeld correct aanhaalt, dan is de verwarring tussen analogie en genealogie een bekend verschijnsel in zijn interdisciplinaire onderzoeksveld:

Lerdahl & Jackendoff’s (1983) attempt to develop a generative theory of tonal music fits in with this perspective on language origin quite well: both musical and poetic structures reflect a ritualistic origin, as the building blocks of musical structure exhibit a resemblance to ritual structure.
Simpelweg absurd. We doen nog maar een voorbeeld: ik lijk op mijn schoonmoeder, dus ik stam van haar af. Als we dan toch deterministisch moeten zijn, dan wil ik ook DNA zien!)

Verder kunnen we ons afvragen hoe De Roders hypothese getoetst zou kunnen worden. Niet, volgens mij. Hoe zou dat moeten gebeuren? Stel: een knappe wetenschapper slaagt er in te bewijzen dat de syntaxis van natuurlijke talen afstamt van rituelen. Dit lijkt me bijzonder onwaarschijnlijk, goed: stel. Hebben we dan een bewijs van een relatie tussen een gedicht van Kopland en rituelen van een pre-talige ritualiteit? Ik zie niet hoe. We zien nog steeds enkel een gelijkenis. Misschien zien we een grotere gelijkenis, maar dat maakt de genealogische hypothese niet waarschijnlijker.

En waar hebben we dat bewijs van die knappe wetenschapper eigenlijk voor nodig? Om iets meer van de poëzie te begrijpen?

Nee! Andersom! Het is eerder zo dat De Roders hypothese -- als we haar voor waar aannemen -- de link tussen ritueel en taal bewijst. Misschien stoor ik me daar nog wel het meest aan: poëzie is er voor de wetenschap i.p.v. andersom. Het lezen van poëzie zou een hypothese bewijzen. Elk singulier gedicht zou een punt maken over poëzie in het algemeen, en poëzie in het algemeen zou een punt maken over taal en ritueel. Nou, fijn. Ik had me gisterochtend waarschijnlijk niet moeten verlagen tot die flauwe discussie over wie of wat wetenschappelijker is; maar ik meen wel dat hier in ieder geval geen literatuurwetenschap wordt bedreven. Dat zal ook wel niet de ambitie zijn, gezien de context van de publicatie. Maar daarom is zijn aanval op de New Critics aan het begin van zijn paper ook enigszins misplaatst. De New Critics hebben het immers niet over de oorsprong van de poëzie, maar over gedichten zoals ze gelezen worden.

Maar goed. Er is dus geen enkele reden om De Roders hypothese voor waar aan te nemen, en zij is eveneens ontoetsbaar. Wat blijft er dan over? Een mooie, mythologische voorstelling van een fascinerend mysterie: de oorsprong van de taal. Had De Roder niet eigenlijk een gedicht moeten schrijven?


*

(Het grappige is dat na al de exacte-wetenschapsknipsels, De Roder in de laatste zin van zijn stuk het -- zoals we zeggen -- überlyrische begrip "excitement" als hoogste waarde uitroept:

All this might seem somewhat speculative (sic), but as Edgar Allan Poe said that only poetry that excites him is good poetry, in my view the same holds for the STUDY of poetry.

Ik ben het daar niet mee oneens. Nee, ik ben het helemaal eens met De Roder. Maar wellicht is het criterium van "excitement" nu juist wat de studie van literatuur onderscheidt van de studie van apen. De bioloog kan wel verrukt zijn over zijn baviaan, en die verruktheid kan misschien een belangrijk inzicht opleveren, maar de baviaan maakt het niets uit. De literatuurwetenschapper is verrukt over een gedicht en precies dat maakt het verschil.)

maandag, oktober 10, 2005

SPLASH, al bladerend

Ik heb eindelijk Jan Lauwereyns' Splash gekocht (Vantilt, 2005), maar ik weet niet of ik het uit zal lezen. Het is een reactie op J.H. "Jan" de Roders spraakmakende stuk over de neiging van poëzie naar betekenisloosheid. Dat "zette de literaire wereld in 1999 op zijn kop", volgens de website van Vantilt. Ik was jong maar herinner het me nog goed, en ik weet nog steeds niet waarom het de literaire wereld op zijn kop zette. Nu dus een reactie van boeklengte. Volgens eerder genoemde website, "Hét discussiestuk van Poetry International". En nee, ik weet weer niet waarom.

Vantilt geeft boeken uit over wat mij meer dan dierbaar is. Dat doet Vantilt met stijl en sinds zij alinea's is gaan indenteren kan Vantilt in dat opzicht (bewogenheid en stijl) niet meer stuk. En kijk eens hoe Vantilt zelfs op internet "hét" (correct, toch?) schrijft, en niet dat francofiele, pretentieuze "hèt"!

Jammer dat de redactie niet altijd weet waarover haar auteurs schrijven.

Lauwereyns is neuropsycholoog van beroep en ik zal maar voor waar aannemen wat hij schrijft over hersenen. Ik gok dat de redactie dat ook gedaan heeft. Nu weet ik helaas wat meer over andere zaken en Lauwereyns beweert op zijn minst twee totaal absurde dingen. Die heb ik ontdekt door te bladeren, niet door het boek van begin tot eind te lezen.

Zo noemt hij Maurice Blanchot "de meester van de psychoanalyse in de literatuur". Huh? Dit is niet zozeer pijnlijk omdat het nergens op slaat (een mens kan zich vergissen), maar omdat (a) Blanchot één van de drie componenten is van Lauwereyns' SPLASH-theorie (de LA in spLAsh staan voor bLAnchot) -- Lauwereyns heeft op zijn minst één boek (L'espace littéraire) van Blanchot gelelezen en daar komt Freud niet bijster vaak in voor. En omdat (b) , hij zegt "de meester", en dus een waardeoordeel uitspreekt -- een waardeoordeel over iets waar hij niets van begrepen heeft. Hij praat blijkbaar iemand na. Maar wie? God mag het weten. (Misschien verwart hij bLAnchot met LAcan, maar zelfs dan slaat zijn oordeel nergens op.)

Zo citeert hij ook Heidegger. Als autoriteit nog wel. Nooit een goed idee, maar. Lauwereyns parafraseert een stukje Heidegger, zo rond het begin van "De oorsprong van het kunstwerk": "wat bestendig is in een ding, de standvastigheid ervan, ligt in het feit dat materie (inhoud) samengaat met een vorm. In de synthese van vorm en inhoud vinden we het ding-concept, de kern van 'iets'." Een ding is vormgegeven materie? Dat klinkt niet gek. Het komt dan ook niet uit de mond van het orakel van Freiburg. Het is Aristoteles' concept van het ding -- en sinds millennia het vulgaire, alledaagse concept -- dat Heidegger weergeeft. De laatste spreekt in de bewuste passage in de vrije indirecte rede. Zoals zo vaak. Goed, Lauwereyns heeft niet Heideggers eigen unieke visie op het ding gelezen: het essay "Das Ding". Neuropsychologen en dichters hebben het ongetwijfeld druk met andere dingen. Maar hij heeft blijkbaar niet eens het essay over het kunstwerk uitgelezen, of in ieder geval de zin van het stuk gemist.

Natuurlijk, ik ben een snob. En ik heb toevallig afgelopen maand zowel Heidegger als Blanchot herlezen, maar... Wat is nu eigenlijk het idee? De tabellen en diagrammen geven een wetenschapseffect, zoals de diagrammen en moeilijke woorden in reclames voor huidverzorgingsproducten. Maar Lauwereyns geeft al in de ondertitel aan dat zijn boek meer met lyriek dan wetenschap te maken heeft. En tegen het einde zegt hij: "Ik beken dat ik er zelf niet meteen een toetsbare wetenschappelijke hypothese in zie." Ik schreef in de kantlijn: "No shit." En wat een taalgebruik ook: "niet meteen". "Helemaal nooit niet," zul je bedoelen! Waarschijnlijk had Lauwereyns "zoiets van, het slaat nergens op, maar waarschijnlijk zal het wel hier en daar spraakmakend zijn, zoals op Poetry International".

Er begint zich een nieuw genre af te tekenen: speculatief amusement. De Roder zal het in de lage landen hebben geïnitieerd. Als hij had gedacht dat zijn theorie over de oorsprong van de taal -- net als Lauwereyns' theorie een willekeurige, geforceerde synthese van heterogene ideeën van anderen en uit verschillende vakgebieden -- enige wetenschappelijke waarde had, dan zou hij zijn stuk toch wel in het Engels vertaald hebben, of laten vertalen? (Wil niet de hele wereld weten wat de oorsprong van de taal is? Of het wezen van de poëzie?) Dat heeft hij naar mijn weten niet gedaan. Waarom niet? Omdat hij, ondanks de Chomsky en Staal referenties, geen bijdrage heeft willen leveren aan een wetenschappelijke discussie. (Geen taalkundige of antropologische discussie, maar ook geen literatuurwetenschappelijke; elke lezer van de oude Jakobson zal alleen in ergernis opveren bij de onnodig gecompliceerde platitudes van De Roder.) Hij schrijft niet voor wetenschappers, maar voor journalisten, dichters, etc. Hij schrijft om "spraakmakend" te zijn, als een columnist.

De functie van dit genre lijkt te zijn: geklets om meer geklets te produceren. Dat lukt tot dusver vrij aardig.

zaterdag, oktober 08, 2005

DICHTERSALFABET: De D van Dee

Een poëticaal statement van een dichter op de flap van een bundel: zelfs de non-recensent kan er moeilijk omheen. Dus:

"Ik tracht met mijn poëzie de dagelijkse burgerlijke sleur en middelmaat te
doorbreken. Pas wanneer het vanzelfsprekende wegvalt openbaart zich het ware,
glorieuze leven in al zijn positieve en negatieve facetten."
-- Daniël Dee
De dichter zegt niets opzienbarends. Natuurlijk is poëzie de vijand van burgerlijkheid en middelmaat. Ook al wordt (kunst)poëzie vrijwel alleen door en voor de middenklasse geschreven, het is evident dat een niet-ironische ode aan de pyjamabroek onmogelijk is. Nee, de dichter kan alles zijn -- profeet, mysticus, rebel, onderzoeker, zelfs een avontuurlijk soort journalist --, behalve burgerman. "Openbaring" is natuurlijk het privilege van de profeet, en dan klinken Luceberts "ik tracht op poëtische wijze" en "de ruimte van het volledig leven" niet verrassend op de achtergrond. Dee maakt een mission statement dat binnenhuisarchitecten "klassiek modern" zouden noemen, en dat gaat gepaard met de nodige stemverheffing.

Wat zei Hagar Peeters ook weer over de manifesten en algemene retoriek van de avant-garde? "Mannelijke heroïek." En dat klopt wel, denk ik. (Hoewel dat geen reden is om adieu tegen de avant-garde te zeggen en als Peeters te gaan schrijven; eerder om een vrouwelijk dichtersleger te organiseren. Nee? Misschien niet. Terug naar het verhaal.) De nieuwe generatie mannetjes stoomt zich klaar om het stokje (de Fallus: symbool van actieve, dominerende subjectiviteit) uit de handen van de oude mannetjes te rukken. In ieder geval één oud mannetje lijkt het vrijwillig af te staan. "Daniël Dee beschouw ik als een waardig opvolger," zegt Jules Deelder op de frontcover. (Castratieverlangen?)

Het is vast aan De Geus te wijden dat Vierendeel (2005) op deze manier is ingelijst. (Welke uitgever wil niet zijn eigen kleine Rimbaud?) Niettemin, we weten nu: hier spreekt een dichter met de Fallus. Een "ik" met ballen. En inderdaad, het "glorieuze leven" blijkt vooral Dees eigen leven, en dat leven zal samenvallen met zijn wil. Tenminste, dat wil hij:

in plaats van een dagje madurodam
wil ik jaren zwerven door de ongekende
vlaktes en bergen van mijn eigen geest
("In plaats van")
Madurodam is ook mijn favoriete -- hoewel niet bijzonder originele -- metafoor voor Nederlandse burgerlijkheid en middelmaat; of zeg gerust: kleiner dan kleinmaat. (Vorig jaar werd er de Nacht van de Geschiedenis gevierd. Een nog mooiere metafoor. Met Geert "Ome Wim vertelt" Mak. Sorry; pet hate. Terug naar het verhaal.) Zijn Dees "ongekende / vlaktes en bergen" uiteindelijk niet ook aan de kleine kant? Zo niet, dan heeft hij ze met deze gedichten nog niet ontdekt. De gedichten in Vierendeel bewegen zich tussen "Jeugdsentiment" -- het eerste gedicht, als we de titelloze proloog niet meerekenen -- en "het hysterisch gekwaak van verkikkerd zijn" -- een terugkerende regel in het gedicht dat de bundel afsluit. "Jeugdsentiment" is natuurlijk een ironische titel, maar is "Op het dorpsplein" dat ook?

En wat is het toch met dichters van nauwelijks dertig die terugkeren naar hun dorp om er melancholisch op hun jeugd terug te blikken? Wat gaan ze doen als ze veertig zijn? Elegieën schrijven over hun studietijd? Geef die mensen een toekomst!

"Op het dorpsplein" begint met de veroordeling van "de stank van kleinburgerlijk uitwasemen". Deze wordt echter vrij snel verdreven door het zoete parfum van de nostalgie -- een geur die natuurlijk niet minder burgerlijk is. Het gedicht eindigt zo:

ik was een jongen dit een dorp en god overal

jij sliep met mij in de appelboomgaard
ik sliep met jou in het gras op de dijk

zelfde jongen nu een man zelfde dorp nu een stad
dat ik op deze plek in andere tijden andere vormen droomde
daarvoor heb ik ze mee al lijkt het verzonnen
hebben wij elkaar daadwerkelijk snoepje gevoerd

Wim Sonneveld, eat your heart out.

De bundel als geheel eindigt met "Eerste gedicht voor kleintje", een gedicht dat een poging illustreert om "vol overgave" verliefd te zijn. "Verkikkerd" staat er, en dat is inderdaad een beter woord, want werkelijke hartstocht kan het gedicht niet overbrengen. Wel wordt hier en daar hysterisch gekwaakt. Het gedicht besluit met een anticlimax:

reduceer mijn dikgelikte ijsbeerwinterdepressie
tot een smeltend ijsblokje in een longdrinkglas
met zo'n vrolijk gekleurd lullig parasolletje
De man met de Fallus relativeert zichzelf, of liever gezegd: geeft zijn minnares opdracht hem te relativeren. Uiteindelijk, onder alle bombast, valt het allemaal wel mee met zijn glorieuze leven en innerlijke berglandschappen. Hij is gewoon een jongen met een "lullig parasolletje". Is dat omdat hij in de bundel al zijn zaad verschoten heeft? Laat ik het zo zeggen: er spatte niet veel van de pagina's.

*

Hè bah. Met zo'n woordspeling aan het eind lijkt bovenstaande wel een echte recensie. Laat ik dan ook maar meteen pseudo-evenwichtig zijn en zeggen wat ik wel zeer interessant vond: Dees ritmegevoel. "Interessant" omdat ik het, vooral in de gedichten met langere regels, niet altijd kon begrijpen. Ik denk dat dat aan mij ligt. Is er Dee-audio (audeeo?) op internet aanwezig?

woensdag, oktober 05, 2005

Yo. Vanaf nu ga ik alles wat niet met poëzie te maken heeft in gebroken Engels schrijven voor het RESISTANCE TO THE PRESENT weblog.

maandag, oktober 03, 2005

DICHTERSALFABET: De C van Claes

Ik kan niet beginnen.

Alles wat ik ter introductie over Paul Claes wil zeggen klinkt automatisch als een veroordeling waar ik niet per se achter sta. Bijvoorbeeld:

"Paul Claes -- u weet het -- is niet van de straat..."
Ik schaar me niet onder de principiële vijanden van geleerdheid in poëzie. Waarom jezelf beperken tot de kont van je geliefde? Nee, daar mag best wat Griekse mythologie of kwantumtheorie tegenaan; dat kan die kont best hebben.

Mijn probleem met De waaier van het hart (De Bezige Bij, 2004) is niet het feit dat de bundel Latijnse disticha bevat -- hoewel ik geen Latijn lees -- of de alomtegenwoordigheid van de grote westerse cultuurcodes: de Klassieken, de Bijbel, de Literatuur. Voor lezers die zich hier niet door laten intimideren zijn er de behulpzame "Scholiën" achterin de bundel. Ook is Claes een vakman; er staan -- formeel gesproken -- maar enkele middelmatig tot zwakke gedichten in De waaier van het hart. Dus wat is mijn bezwaar? Ik weet het nog niet zeker, maar ik denk dat ik een excursie moet maken...


*

In Le Degré zéro de l'écriture maakt Roland Barthes een onderscheid tussen taal, stijl en "schrijven" (écriture). Taal is niet alleen het Frans of het Nederlands, maar het sociale of historisch-objectieve aspect van literatuur in het algemeen. Een Parijse monnik uit de twaalfde eeuw zal niet zomaar een prozagedicht schrijven, simpelweg omdat die vorm niet tot zijn beschikking staat op dat moment in de literatuurgeschiedenis. M.a.w. hij spreekt een andere literaire taal dan die van het fin de siècle.

Stijl is tegengesteld aan taal en vertegenwoordigt het persoonlijke of individueel-subjectieve aspect van literatuur. Een schrijver heeft naast een taal die hij deelt met zijn tijdgenoten een eigen stijl. Marlowe en Shakespeare schreven allebei Renaissance tragedies, maar ieder op hun eigen manier.

"Schrijven" tenslotte bevindt zich tussen beide polen in.

Barthes ziet zich genoodzaakt deze bemiddelende categorie in het leven te roepen, omdat hij anders de relatie tussen de schrijver en zijn tijd en tot de literatuurgeschiedenis überhaupt niet kan verklaren als een bewuste, ethische relatie. Natuurlijk is het goed mogelijk om de literatuurgeschiedenis te begrijpen als een mechanisch proces, waarbij literaire vormen elkaar opvolgen door de werken van individuele schrijvers te gebruiken als medium van hun ontwikkeling. Een soort literair darwinisme, met taal als selfish gene, stijl als tijdelijke drager.

Maar dit was in het Parijs van Sartre waar men in een café een serieus gesprek over Vrijheid kon voeren. Ook met de vroege Barthes. "Schrijven" is precies de locus van vrijheid. De objectieve taal wordt de schrijver opgelegd; met een zuiver persoonlijke stijl wordt hij als het ware geboren. Het is pas in het "schrijven" dat een keuze wordt gemaakt, waarin de schrijver zich noodzakelijk engageert.

*

Zijn we er nog?

Oké.

Het is duidelijk dat Claes meerdere talen spreekt; hij beheerst verschillende vormen en put uit een aantal klassieke registers. De taal van de hedendaagse poëzie daarentegen lijkt hij niet te willen spreken. Niks epifanische ervaringen in vrije verzen. Niks ironische vroomheid van het postmodern sublieme. Niks verrassende beelden. Deze weigering van de dominante taal kan alleen maar een bewuste keuze zijn -- écriture.

Maar het is een keuze voor geen keuze. Claes lijkt te dromen van een objectief continuüm van pure taal, zogezegd, waar poëtische vormen en eerbiedwaardige gemeenplaatsen uit verschillende tijden en culturen vreedzaam naast elkaar kunnen bestaan, en waarin niet meer gekozen hoeft te worden, omdat de geschiedenis al enige tijd afgelopen is. Het is een museumvisie op geschiedenis. Zodra ze niet meer wordt opgevat als het product van menselijk handelen, d.i. zodra ze volkomen objectief wordt, kan de geschiedenis worden voorgesteld als een ruimte waarin we ons -- niet als handelende subjecten, maar als cultuurconsumenten -- kunnen bewegen, de schoonheden bewonderen en de verschrikkingen verafschuwen.
Orpheus

Wie heeft het oog van Gorgo uitgedoofd?
Wie hief de kruin omhoog van Goliath?
Wie hieuw van Holofernes af het hoofd?

Wie stiet de bal van bloed over de stad?
Wie heeft het hoofd op tafel neergezet?
Wie korf de baard die om erbarmen bad?

Wie vlijde beide koppen op één bed?
Wie heeft haar klappertandend hoofd verstijfd?
Wie brak de zachte nek van elk verzet?

De zon, mijn hoofd dat op de einder drijft.

De grenzen tussen geschiedenis en mythe vervagen op het moment dat de eerste nog enkel als esthetisch fenomeen begrepen kan worden. We kunnen zelfs geen lering meer trekken uit het verleden; enkel vermaak rest ons, zij het vermaak van hoog niveau.

Als we Claes' gebruik van klassieke vormen en motieven vergelijken met dat van modernisten als Joyce en Pound -- beiden door Claes vertaald --, dan wordt duidelijk hoe weinig er in De waaier van het hart op het spel staat. Joyce gebruikte Homerus om de Europese roman te vernieuwen; Claes gebruikt Homerus om niet na te hoeven denken -- laat staan te beslissen -- over de toekomst van de Nederlandstalige poëzie.

Kortom, in Barthes' termen: de ethisch-politieke dimensie -- het schrijven -- heft zichzelf op in de naam van een autoritair estheticisme. "Ik hoef niet af te dalen in de onderwereld," denkt de schrijver die geen schrijver wil zijn. "Dat heeft Orpheus al voor mij gedaan."

*

N.B. Een andere vorm van de zelfopheffing van écriture is niet te kiezen voor volledige overgave aan een absolute taal, aan autoritaire Vormen, maar juist aan de andere pool: absolute stijl. Individueel estheticisme. Maar het individu is niet minder een despoot dan de traditie.

*

P.S. Barthesianen: ik heb geschreven zonder Barthes bij de hand, en hem ongetwijfeld vereenvoudigd, zo niet verkeerd begrepen.

P.P.S. Ik heb besloten toch maar geen C's toe te voegen aan het aanbod van Verwijs*). Vóór 2007 moet dit alfabet toch wel afgelopen zijn, vind ik, en ik schrik bij de aanblik van zoveel D's: Dee, Deelder, Degenaar...