Mocht u het commentaar onder het vorige bericht niet gelezen hebben: ik ben een flapdrol. Jan de Roder heeft wel degelijk zijn hypothese gepresenteerd aan een internationaal, wetenschappelijk publiek! O.a.
hier. Ik heb geen zin om van Poëzienotities een academisch weblog te maken, dus ik kan u niet beloven dat ik voortaan meer en beter research zal "doen". Maar het blijft natuurlijk onjuist. (En pijnlijk!) En in plaats van mijn sporen uit te wissen zal ik de onrechtvaardigheid hier nog eens rechtzetten. Bij deze.
*
MAAR ZOU HET KUNNEN dat ik helemaal niet op de hoogte was van de bewuste artikelen omdat ze niet zo spraakmakend waren zls De Roders eerdere interventie die "de literaire wereld op zijn kop zette"? Taalkundigen en antropologen met de voeten in de lucht? Ik weet het niet. D.w.z. ik weet het echt niet. Ik ben redelijk autistisch. Literatuurwetenschap houdt zich wat mij betreft bezig met literatuur
als literatuur. Literatuurgeschiedenis bijvoorbeeld is net zo min literatuurwetenschap als een boek over dierentuinen in de Gouden Eeuw noodzakelijk voer is voor biologen. Zo denk ik ook niet dat antropologie of biologie ons iets kunnen leren over literatuur in haar eigenaardigheid. Die eigenaardigheid heeft ze immers niet te danken aan haar oorsprong of haar geschiedenis, maar aan de manier waarop een lezer leest. Voorbeeld: het is niet moeilijk om een gedicht op onpoëtische wijze te lezen ("het gaat over sla"), en met enige moeite kunnen we zelfs een krantenartikel poëtisch lezen. Wie leest Lucretius -- u weet wel: de Latijnse filosoof die in
verzen schreef -- als een dichter? Maar wie leest Nietzsche zonder oog voor de literaire kwaliteiten? Naast alle conventies en vanzelfsprekendheden is poëzie uiteindelijk een kwestie van een beslissing. De lezer beslist dat hij een gedicht of iets dichterlijks in handen heeft. Er is geen enkele noodzakelijke reden voor het bestaan van literatuur of poëzie.
Bovendien, ik heb mijn twijfels over de poging om antropologie en taalkunde m.b.t. poëzie te verzoenen. Ik twijfel ook aan het beschrijven van de ontwikkeling van een taal in termen van de evolutietheorie. Maar ik ben niet thuis in die respectievelijke vakgebieden, en durf hier niet een al te zeker oordeel te vellen. Ik weet echter zeker dat je er Derrida of Lacan niet bij kunt slepen; die hebben een begrip van taal en betekenis dat Chomsky niet zou erkennen. En zeker Derrida zou niet onder de indruk zijn van De Roders zoektocht naar de oorsprong van de taal. (Vgl. zijn kritiek op De Roders illustere voorganger,
Jean-Jacques Rousseau, in
De la grammatologie.)
Dat is wat ik bedoel met een min of meer willekeurige mix van heterogene elementen. Als ik bovengelinkt artikel lees kom ik (te) veel citaten en verwijzingen tegen over betekenis, betekenisloosheid en ritme. Maar bedoelt Alexander Pope hetzelfde met het woord "betekenis" als Derrida of de New Critics? Het lijkt me sterk. Naast die drie woorden: een reeks synoniemen. D.w.z. De Roder heeft bepaald dat zij synoniemen zijn voor "betekenis", "betekenisloosheid", "ritme" respectievelijk.
Ondertussen lijkt hij "betekenis" in zijn inleiding breder op te vatten dan in de
body van de tekst. In de inleiding is "betekenis" bijvoorbeeld ook "connotative and associative values of words and . . . the multiple functions of figurative language" (hij vat samen wat "betekenis" voor de New Critics betekent). Maar als De Roder met zijn bekende hypothese op de proppen komt blijkt "betekenis" gereduceerd te zijn tot referentie: "Rituals are meaningless in the sense that they are pure acts: only the correct performance of the acts counts, not their supposed reference."
Ik heb nog niet hard nagedacht over rituelen, maar wat betreft de taal is referentie slechts een bijzonder smalle opvatting van betekenis (nl. denotatie). De New Critics bijvoorbeeld -- De Roders stroman -- bedoelen met "meaning" iets anders dan "message" of "statement", zoals De Roder min of meer zelf al opgemerkt heeft in zijn inleiding. (Vgl. ook de "Preface" van de latere edities van
Understanding Poetry.) En wat te denken van
speech acts, woorden en zinnen die minder verwijzen dan een daad verrichten? Het "Ja" op het altaar is een standaard voorbeeld. Dat is taal als
performance. Betekenisloos ritueel? Integendeel.
Als het een antropologische platitude is dat een ritueel betekenisloos is omdat het nergens naar verwijst, dan zal dat zijn omdat er een bepaald concept van betekenis wordt gehanteerd (betekenis = referentie, denotatie); de antropologen hebben er wellicht goede redenen voor. Maar zodra we het hebben over taal, dan kunnen we zo'n reductief concept niet handhaven. Waarom zouden we dat doen?
Bijvoorbeeld om een ontdekking te ensceneren.
Want: er blijkt meer aan de hand! Taal is niet alleen referentieel! Taal vindt zijn oorsprong in betekenisloze rituelen! Dat zou o.a. blijken uit de structuur van de syntaxis, die inderdaad "leeg" is van elke referentie; ze wordt a.h.w. opgevuld met betekenis. (Vanaf nu zal ik "betekenis" steeds in De Roders zin gebruiken.)
De link die De Roder legt tussen syntaxis, ritueel en ritme vind ik bijzonder fascinerend, en zelfs overtuigend. Overtuigend in de zin dat syntaxis, ritueel en ritme inderdaad op elkaar lijken. Maar de aard van de relatie... Het is inmiddels bekende kost, maar nu leest u het ook eens in het Engels:
One of my hypotheses is that the rhythmic layer of poetry, the prosody of poetry, like syntactic structure, is an empty pattern, going back to the structural principles of ritual. Rhythmic patterns in poetry are thus instances of pure acts in the ritual sense, and as a consequence poetry is a form of language use in which the ritual basis of language is experienced. The poetic experience is a reflection of the physical sensation associated with ritual; this effect was secondary in rituals, but has become primary in poetry, another example of exaptation.
Ritme in poëzie "goes back to" fysieke rituelen. En ritme loop vooruit op syntaxis. In die zin is poëzie "a sort of missing link takes up a position between age-old rituals and natural languages". Volgens De Roder kennen mensapen ook rituelen, en poëzie is dus in feite de "missing link" tussen de chimpansee en de sprekende aap. De Roder is Rousseau, Darwin én Jakobson. Maar dan beter.
Maar wat betekent "going back to" eigenlijk? "Afstammen" natuurlijk; een genealogische relatie. Maar in de laatste zin zegt De Roder dat de poëtische ervaring een "reflection" is van het fysieke aspect van rituelen. Maar een relatie van reflectie is zeker niet per se een relatie van afstamming. Zeggen dat poëtisch ritme lijkt op rituelen is iets anders dan zeggen dat het één afstamt van het ander. Een walvis lijkt op een vis, maar heeft andere voorouders. Of andersom: veel blanke Australiërs stammen af van criminelen, maar dat maakt ze niet per se crimineel, of doen
neigen tot criminaliteit. Zo neigt poëzie ook niet per se tot de non-referentialiteit van ritme. (Ja, veel "maars".)
De Roder is in de war wat betreft de relatie tussen ritme en poëzie. Als we aannemen dat poëtisch ritme een aantal kenmerken vertoont die lijken op die van een ritueel -- de analogie is, met enige kanttekeningen, uiteindelijk overtuigend --, dan zegt dat nog niets over enige continuïteit tussen de twee, laat staan dat de laatste de oorsprong is van de eerste. Natuurlijk, het is een hypothese: dat wat bewezen moet worden. Maar een hypothese moet toch op iets meer gebaseerd zijn dan een vaag vermoeden op basis van een analogie?
(Als De Roder het volgende voorbeeld correct aanhaalt, dan is de verwarring tussen analogie en genealogie een bekend verschijnsel in zijn interdisciplinaire onderzoeksveld:
Lerdahl & Jackendoff’s (1983) attempt to develop a generative theory of tonal music fits in with this perspective on language origin quite well: both musical and poetic structures reflect a ritualistic origin, as the building blocks of musical structure exhibit a resemblance to ritual structure.
Simpelweg absurd. We doen nog maar een voorbeeld: ik lijk op mijn schoonmoeder, dus ik stam van haar af. Als we dan toch deterministisch moeten zijn, dan wil ik ook DNA zien!)
Verder kunnen we ons afvragen hoe De Roders hypothese getoetst zou kunnen worden. Niet, volgens mij. Hoe zou dat moeten gebeuren? Stel: een knappe wetenschapper slaagt er in te bewijzen dat de syntaxis van natuurlijke talen afstamt van rituelen. Dit lijkt me bijzonder onwaarschijnlijk, goed: stel. Hebben we dan een bewijs van een relatie tussen een gedicht van Kopland en rituelen van een pre-talige ritualiteit? Ik zie niet hoe. We zien nog steeds enkel een gelijkenis. Misschien zien we een grotere gelijkenis, maar dat maakt de genealogische hypothese niet waarschijnlijker.
En waar hebben we dat bewijs van die knappe wetenschapper eigenlijk voor nodig? Om iets meer van de poëzie te begrijpen?
Nee! Andersom! Het is eerder zo dat De Roders hypothese -- als we haar voor waar aannemen -- de link tussen ritueel en taal bewijst. Misschien stoor ik me daar nog wel het meest aan: poëzie is er voor de wetenschap i.p.v. andersom. Het lezen van poëzie zou een hypothese bewijzen. Elk singulier gedicht zou een punt maken over poëzie in het algemeen, en poëzie in het algemeen zou een punt maken over taal en ritueel. Nou, fijn. Ik had me gisterochtend waarschijnlijk niet moeten verlagen tot die flauwe discussie over wie of wat wetenschappelijker is; maar ik meen wel dat hier in ieder geval geen literatuurwetenschap wordt bedreven. Dat zal ook wel niet de ambitie zijn, gezien de context van de publicatie. Maar daarom is zijn aanval op de New Critics aan het begin van zijn paper ook enigszins misplaatst. De New Critics hebben het immers niet over de oorsprong van de poëzie, maar over gedichten zoals ze gelezen worden.
Maar goed. Er is dus geen enkele reden om De Roders hypothese voor waar aan te nemen, en zij is eveneens ontoetsbaar. Wat blijft er dan over? Een mooie, mythologische voorstelling van een fascinerend mysterie: de oorsprong van de taal. Had De Roder niet eigenlijk een gedicht moeten schrijven?
*

(Het grappige is dat na al de exacte-wetenschapsknipsels, De Roder in de laatste zin van zijn stuk het -- zoals we zeggen -- überlyrische begrip "excitement" als hoogste waarde uitroept:
All this might seem somewhat speculative (sic), but as Edgar Allan Poe said that only poetry that excites him is good poetry, in my view the same holds for the STUDY of poetry.
Ik ben het daar niet mee oneens. Nee, ik ben het helemaal eens met De Roder. Maar wellicht is het criterium van "excitement" nu juist wat de studie van literatuur onderscheidt van de studie van apen. De bioloog kan wel verrukt zijn over zijn baviaan, en die verruktheid kan misschien een belangrijk inzicht opleveren, maar de baviaan maakt het niets uit. De literatuurwetenschapper is verrukt over een gedicht en precies dat maakt het verschil.)