DICHTERSALFABET: Meer B van Bruinja
Een gedicht van Tsead Bruinja. Het heet "VAN TWEE KUSSENDE RUGGEN":
Het (letterlijk) centrale beeld van de kussende ruggen kan als volgt worden gelezen: een intieme houding -- spreekwoordelijk een kus --, die tegelijk ook afstand uitdrukt; als de neuzen niet per se in tegengestelde richting wijzen, dan is oogcontact toch praktisch onmogelijk.
De ambiguïteit tussen intimiteit en afstand beheerst vanaf de eerste strofe het gedicht.
In de eerste regel wordt een vondst onmiddellijk gevolgd door een vertrek: "toen ze me vond moest ze weg". De tweede regel associeert verder op de eerste: de daad wordt bij het woord gevoegd, maar verder voegt de regel niet veel toe. Wel loopt hij vooruit op de telefoons in de volgende strofe. De telefoon is op zichzelf al aardig ambigu: ze brengt de stem nabij, maar impliceert lichamelijke afstand. Bovendien ligt ondanks een huis vol communicatiemiddelen uiteindelijk de hoorn op de haak. De spreker wil wel, hij wil misschien zelfs wanhopig, maar iets frustreert zijn verlangen naar contact. In de eerste strofe is het de vrouw die elders verplichtingen had; maar in de tweede en derde strofe wordt de reden van zijn frustratie dichter bij huis gezocht. Waarom ligt de hoorn op de haak? Waarom worden de abonnementen niet betaald? Desondanks behoudt hij zijn kannalen naar de buitenwereld: "geen schuldeiser sluit af".
Die schuld kan ongetwijfeld ook psychologisch gelezen worden. Dat brengt ons terug bij de vraag wie verantwoordelijk is voor het huidige gebrek: hij of zij? Het antwoord blijft voorlopig uit.
De vierde en vijfde strofe zijn net als de eerste in de verleden tijd geschreven. Niet toevallig betreffen alledrie een samenzijn van de spreker met de geliefde, een samenzijn dat inmiddels evident gediscontinueerd is. Maar
zijn een stuk idyllischer in toon dan de eerste regels van het gedicht, al is het maar omdat we voor het eerst lichamelijke intimiteit te zien krijgen. Op de ambiguïteit van de kussende ruggen heb ik al gewezen, maar "haar bed was de boot voor het spel // ons ondergoed danste in zwart" zijn de minst ambivalente regels van het gedicht, zelfs als we in "zwart" vooral een rouwkleur willen herkennen. Ik ben geen aanhanger van de "hoe ambivalenter, hoe beter" poëtica, maar het is opvallend dat ik dit net de twee slechtste regels vindt in "VAN TWEE KUSSENDE RUGGEN". Ik begrijp werkelijk niet waarom "ons ondergoed danste zwart" een vrijstaande regel is. Hij is niet buitengewoon lelijk, maar het beeld grenst aan erotische kitsch. (En "haar bed was de boot voor het spel" is niet veel beter; of ben ik een puritein?) De functie van de regel is misschien om een climax te suggereren -- een hoogtepunt van samenzijn --, maar dat mislukt door het slappe beeld.
Daardoor mislukt ook de antithese, de geplande anticlimax, van de volgende strofe. Want we draaien negentig graden, en het dansende ondergoed zit nu in een grondig reinigende wasmachine. Dan: de troosteloosheid van de natte kleren, een objectief correlaat van de post-coïtale lijven. "Post coitum omne animal triste est," zeggen we dan.
In de laatste strofe keert het schuldmotief terug, of liever gezegd: de financiële metafoor voor menselijke relaties. De gelijkenis wordt ontkend ("een markt is de liefde niet"), maar tegelijk bevestigd. Tenminste, volgens deze definitie is de amoureuze relatie, zoals in het voorgaande beschreven, helemaal geen liefde. Nu horen we in "ruggen" ook de duizendjes. De vergelijking van menselijke (mis)communicatie met de onpersoonlijkheid van een financiële transactie is niet onconventioneel. Het is een beeld van de erfzonde, van schaamte t.a.v. een wereld waarin prostitutie de norm is, en aardse liefde nooit onschuldig. De verantwoordelijkheid voor de mislukte ontmoeting ligt dus minder bij één van de personages dan dat zij een universele toestand is. De moraal van het verhaal komt vanzelfsprekend in de laatste regel, een trieste les: "praat met de rente en tel".
De beweging die zich in "VAN TWEE KUSSENDE RUGGEN" voltrekt: associëren in de richting van een moraal.
Die moraal is volgens mij niet typisch voor Batterij, maar ik heb wel de indruk dat de associaties vooral een dienende functie hebben; ze staan in dienst van een idee, een verhaal, een centraal beeld, etc. Of Bruinja bij het schrijven vertrekt vanuit dat centrum of er al associërend bij uitkomt doet er niet toe; de lezer volgt hoe dan ook het laatste parcours. Poëtische domesticatie = het temmen van de immanent productieve (en destructieve) kracht van de taal d.m.v. een transcendent, extra-talig fetisjobject.
toen ze me vond moest ze weg
en toen ze weg moest hing ze op
mijn huis staat propvol telefoons
op het laatste toestel de haak
geen abonnement wordt betaald
geen schuldeiser sluit af
haar rug was de mond die kuste me
haar bed was de boot voor het spel
ons ondergoed danste in zwart
zelfde machine negentig graden
aan een roestig rekje hing onze was
een markt is de liefde niet
praat met de rente en tel
Het (letterlijk) centrale beeld van de kussende ruggen kan als volgt worden gelezen: een intieme houding -- spreekwoordelijk een kus --, die tegelijk ook afstand uitdrukt; als de neuzen niet per se in tegengestelde richting wijzen, dan is oogcontact toch praktisch onmogelijk.
De ambiguïteit tussen intimiteit en afstand beheerst vanaf de eerste strofe het gedicht.
In de eerste regel wordt een vondst onmiddellijk gevolgd door een vertrek: "toen ze me vond moest ze weg". De tweede regel associeert verder op de eerste: de daad wordt bij het woord gevoegd, maar verder voegt de regel niet veel toe. Wel loopt hij vooruit op de telefoons in de volgende strofe. De telefoon is op zichzelf al aardig ambigu: ze brengt de stem nabij, maar impliceert lichamelijke afstand. Bovendien ligt ondanks een huis vol communicatiemiddelen uiteindelijk de hoorn op de haak. De spreker wil wel, hij wil misschien zelfs wanhopig, maar iets frustreert zijn verlangen naar contact. In de eerste strofe is het de vrouw die elders verplichtingen had; maar in de tweede en derde strofe wordt de reden van zijn frustratie dichter bij huis gezocht. Waarom ligt de hoorn op de haak? Waarom worden de abonnementen niet betaald? Desondanks behoudt hij zijn kannalen naar de buitenwereld: "geen schuldeiser sluit af".
Die schuld kan ongetwijfeld ook psychologisch gelezen worden. Dat brengt ons terug bij de vraag wie verantwoordelijk is voor het huidige gebrek: hij of zij? Het antwoord blijft voorlopig uit.
De vierde en vijfde strofe zijn net als de eerste in de verleden tijd geschreven. Niet toevallig betreffen alledrie een samenzijn van de spreker met de geliefde, een samenzijn dat inmiddels evident gediscontinueerd is. Maar
haar rug was de mond die kuste me
haar bed was de boot voor het spel
ons ondergoed danste in zwart
zijn een stuk idyllischer in toon dan de eerste regels van het gedicht, al is het maar omdat we voor het eerst lichamelijke intimiteit te zien krijgen. Op de ambiguïteit van de kussende ruggen heb ik al gewezen, maar "haar bed was de boot voor het spel // ons ondergoed danste in zwart" zijn de minst ambivalente regels van het gedicht, zelfs als we in "zwart" vooral een rouwkleur willen herkennen. Ik ben geen aanhanger van de "hoe ambivalenter, hoe beter" poëtica, maar het is opvallend dat ik dit net de twee slechtste regels vindt in "VAN TWEE KUSSENDE RUGGEN". Ik begrijp werkelijk niet waarom "ons ondergoed danste zwart" een vrijstaande regel is. Hij is niet buitengewoon lelijk, maar het beeld grenst aan erotische kitsch. (En "haar bed was de boot voor het spel" is niet veel beter; of ben ik een puritein?) De functie van de regel is misschien om een climax te suggereren -- een hoogtepunt van samenzijn --, maar dat mislukt door het slappe beeld.
Daardoor mislukt ook de antithese, de geplande anticlimax, van de volgende strofe. Want we draaien negentig graden, en het dansende ondergoed zit nu in een grondig reinigende wasmachine. Dan: de troosteloosheid van de natte kleren, een objectief correlaat van de post-coïtale lijven. "Post coitum omne animal triste est," zeggen we dan.
In de laatste strofe keert het schuldmotief terug, of liever gezegd: de financiële metafoor voor menselijke relaties. De gelijkenis wordt ontkend ("een markt is de liefde niet"), maar tegelijk bevestigd. Tenminste, volgens deze definitie is de amoureuze relatie, zoals in het voorgaande beschreven, helemaal geen liefde. Nu horen we in "ruggen" ook de duizendjes. De vergelijking van menselijke (mis)communicatie met de onpersoonlijkheid van een financiële transactie is niet onconventioneel. Het is een beeld van de erfzonde, van schaamte t.a.v. een wereld waarin prostitutie de norm is, en aardse liefde nooit onschuldig. De verantwoordelijkheid voor de mislukte ontmoeting ligt dus minder bij één van de personages dan dat zij een universele toestand is. De moraal van het verhaal komt vanzelfsprekend in de laatste regel, een trieste les: "praat met de rente en tel".
De beweging die zich in "VAN TWEE KUSSENDE RUGGEN" voltrekt: associëren in de richting van een moraal.
Die moraal is volgens mij niet typisch voor Batterij, maar ik heb wel de indruk dat de associaties vooral een dienende functie hebben; ze staan in dienst van een idee, een verhaal, een centraal beeld, etc. Of Bruinja bij het schrijven vertrekt vanuit dat centrum of er al associërend bij uitkomt doet er niet toe; de lezer volgt hoe dan ook het laatste parcours. Poëtische domesticatie = het temmen van de immanent productieve (en destructieve) kracht van de taal d.m.v. een transcendent, extra-talig fetisjobject.

8 Comments:
http://www.kwaadbloed.com/downloads/roest/jpg/roest07.jpg
t07.jpg
[dit kader knabbelt letters weg]
Jeroen, als je schrijft:
Poëtische domesticatie = het temmen van de immanent productieve (en destructieve) kracht van de taal d.m.v. een transcendent, extra-talig fetisjobject
Wat staat daar dan?
Beste groet, chr.
Het is net of ik dat geschreven heb om sommige mensen te irriteren niet? Ik denk dat ik er binnenkort op terugkom in een volwaardig logmoment. Stay tuned.
Een talige totempaal? Of een talige geurvlag om de wilde woorde duidelijk te maken: in dit gebied ben ik de baas!?
Daarom heb ik zo'n hekel aan doorgedraaide analyses van een gedicht. Je schiet een gedicht zo gemakkelijk aan flarden.
Overigens: knappe bespreking, maar nogal zinloos.
Jeroen: leg je accenten liever op iets anders dan uitsluitend "taal, woorden": de sfeer, welk gevoel iets oproept? Wat doet het met jou, als lezer?
Hoe zit het met je referentiekader?
Kun je je hier niet iets bij voorstellen soms?
Het gaat toch duidelijk om het onmogelijke, het afwijzende/afgewezene, de leegte (als je tussen woorden kunt lezen) zoals in zoveel gedichten?
Ik kocht afgelopen zaterdag een mooie bundel van Bruinja in Amsterdam (op het Spui), althans het was een Poetry uitgave met gedichten van hem erin.
Is dit gedicht niet veeleer een boze terugblik van de verlaten geliefde, die zijn pissigheid nog wat lucht geeft?
De haak op het laatste toestel, waaraan zij hèm al die tijd had hangen, is verbonden met dat spel in die boot (aan de lijn houden?). Het huis is nu leeg (propvol telefoons) en er is zelfs helemaal niemand om het erg te vinden dat de abonnementen niet worden betaald. Iemand de rug toekeren is verre van intiem; de kus in dit geval sarcastisch (?): "lik mijn reet!"
Dat in zwart dansende ondergoed is natuurlijk een droevige vertoning achter dat raampje: in dezelfde machine lijkt intiem, maar het danst haaks op elkaar (90 gr.) En schone was wordt hier steevast vuile aan dat triest stemmende roestige rekje.
Vraag en aanbod zijn niet bij elkaar gekomen (een markt is de liefde niet) en inderdaad een levensles tot slot: 'be interested and count your fingers'
Nou jij weer Jeroen...
Zinloos voor...? Mij? Jou? De mensheid?
Zeggen wat een gedicht "met mij doet": ik doe niet anders. Ik koppel dat niet gelijk aan (bijv.) mijn liefdesleven nee, tenminste niet in het openbaar. Moet dat? Hoe zou dat zinnig zijn voor jou?
Een reactie plaatsen
<< Home