Send As SMS

dinsdag, september 27, 2005

DICHTERSALFABET: De C van Chabot

Bart Chabot lijkt zijn rol in de Nederlandstalige poëzie niet zo serieus te nemen. In de tijdlijn op zijn website wordt de publicatie van zijn debuut bij de Bezige Bij vermeld (Popcorn, 1981), maar over de bundels die volgden horen we niets. In plaats daarvan lezen we over noemenswaardige momenten als:
1990
deelname aan eerste Groot Dictee der Nederlandse Taal - daarna vaste deelnemer
Ziet Chabot zichzelf vooral als vaste deelnemer c.q. mediapersoonlijkheid? ("Met al mijn bloed heb ik voor U geleefd, o BVD"?) En heeft hij gelijk om zichzelf niet zo serieus te nemen?

Zand erover (Nijgh & Van Ditmar 2003).

De bundel bestaat over het algemeen uit lange, verhalende gedichten. Om de thematiek aan niemand te laten ontgaan staat er een Amerikaanse lijkwagen op de kaft, gefotografeerd door Anton Corbijn, de hoffotograaf van de rocksterren van weleer. Kortom: rock 'n' roll; maar ook: de vijftig gepasseerd. De dood. En ja dat zand in de titel: etc.

Lange, verhalende gedichten. Ik houd van lange gedichten. Ik vind dat er niet genoeg worden geschreven. Maar ik kan daar aan de hand van Chabots werk geen pleidooi voor houden.

Neem het gedicht "kaap de goede hoop". Het beslaat 2 en 3/4 pagina's. Een "ik" vertelt over hoe hij en zijn terminaal zieke vriend op het strand lopen. Het is al donker, en het mist ook nog eens. Dan vaart een spookachtig zeilscheepje langs. Natuurlijk is het een objectief correlaat -- zoals Eliot dat noemt -- voor het lot van vriend René:

het lijkt die rivier uit de oudheid wel
die dodenstroom
en het schip dat komt om je op te halen
en mee te voeren naar het schimmenrijk --
Chabot heeft hier vier regels nodig waar Ezra Pound gewoon het woordje "Styx" had geschreven en alle connotaties voorondersteld. "DICHTEN = CONDENSARE" was zijn motto. Ik zou dat willen specificeren en zeggen dat het niet alleen condenseren is. Het is ook uitdijen, en omleiden. In zekere zin is elk gedicht een onnodig uitgedijde mededeling. Waarom niet gewoon zeggen dat je haar leuk vindt i.p.v. er een zomerdag en wat niet meer bij te slepen? Maar aan die nutteloze omleiding ontlenen we nu juist plezier. We ontlenen geen plezier aan het feit dat Shelley die westenwind wel zag zitten, maar aan hoe dat kenbaar wordt gemaakt. Aan de andere kant, als een gedicht een uitgedijde, omgeleide mededeling is, dan moet die omleiding wel goed in elkaar steken. Dan moet er zogezegd geen woord te veel staan. Elk woord moet bijdragen aan de onverbiddelijkheid van de af te leggen weg. Anders verslapt de aandacht.

Cliché's zijn er per definitie te veel. Tenzij ze interessant worden gemaakt. Bijvoorbeeld zo:

. . . Now I want you to go out there
and enjoy yourself, and yes, enjoy your philosophy of life, too.
They don't come along every day. Look out! There's a big one...
"Enjoy yourself" is een cliché, "philosophy of life" eveneens, maar de twee samen -- "enjoy your philosophy of life", levensfilosofie gepresenteerd als consumptieartikel --, dat klopt instinctief niet. Als toegift volgt de "too" aan het einde van de tweede regel, die de ernst van de levensfilosofie nogmaals relativeert. De laatste regel neemt een standaarduitdrukking -- "They don't come along every day" --, die in dit geval alleen maar figuurlijk gelezen kan worden, letterlijk.

(Dit is het slot van "My Philosophy of Life" van John Ashbery, de koning van het ouwehoergedicht. Hij heeft misschien uiteindelijk wel niets te zeggen, maar de aandacht voor wat hij niet te zeggen heeft verslapt zelden.)

In "kaap de goede hoop" komen de volgende cliché's voor: "het hoogste woord", "zijn tijd is bijna om", "een mist die niet van half werk houdt", lotsverbondenheid, "vanaf nu / speelt rené in blessuretijd", "het zal niet lang meer duren", "het kan niet lang meer duren", "kerstvreugde". Alleen het laatste woord -- dat in de laatste regel voorkomt -- krijgt een betekenis die afwijkt van het cliché, aangezien er geen enkele reden is tot vreugde bij de personages. Aan de andere kant, een treurige kerst is op zijn beurt wederom een cliché van jewelste.

Chabot is, kortom, een iets te vaste en iets te enthousiaste deelnemer aan de Nederlandse Taal. Zo'n sterk wapen tegen de sterfelijkheid is zij toch niet?

8 Comments:

Martin van Kralingen said...

Sterfelijkheid.....
Geen dichter kan, wat onze stamcellen kunnen:
zichzelf duizenden en duizenden keren herhalen!

10:57 AM  
Samuel Vriezen said...

Dat moet op rijm, Martin. Trouwens, het leuke van die celdeling is natuurlijk juist dat er altijd minuscule kopieerfouten optreden0.

Ashbery lijkt inderdaad de koning van het ouwehoervers (O'Hara kon er ook wat van natuurlijk), maar wie was ook al weer die recente amerikaanse dichter, ik kwam er laatst een boekje van tegen, die lezingen voor de vuist weg gaf en die vervolgens als gedichten transscribeerde?

3:04 PM  
Martin van Kralingen said...

Samuel, wat jij minuscule kopieerfouten noemt is pure ontregeling en op den duur dodelijk, net als het leven zelf.....

3:14 PM  
Erwin Troost said...

Chabot is een goede kandidaat voor Waku Waku. Dat dan weer wel.

4:00 PM  
Jeroen Mettes said...

Samuel: bedoel je David Antin? Ik heb nooit meer dan bloemlezingstukken van hem gelezen. Hij is ook niet zo recent meer volgens mij.

Wie zijn eigenlijk de kandidaten voor Nederlandstalige ouwehoerdichter #1?

5:24 PM  
Samuel Vriezen said...

Ja, Antin, inderdaad.

Nederlandse ouwehoers: mijn eerste gedachte is Godijn, maar er moeten ouwehoerderigere te vinden zijn. Het nederlandse gedicht heeft er ook niet genoeg de lengte voor. (oh, een soort micro-ouwehoeren bij Waskofsky misschien?)

Dat ouwehoeren bij Ashbery hangt natuurlijk samen met dat schilderen waar die NY-ers zo geinteresseerd in waren: dat taal om zijn oppervlakte-kwaliteiten kan worden gewaardeerd. Dat zou dan meteen ook de Stein-erfenis zijn. Die 'oppervlakkigheid' is misschien in Nederland wel wat minder ontwikkeld. 's Neerlands eigen Ashberiaan, Schaffer, heeft in elk geval de ouwehoer-eigenschap minder sterk.

Veel mensen lijken in Ashbery meer een soort peinzende dichter (met een zekere wildheid in het gepeins) te horen, leidende tot een meer introverte of zelfs melancholische Ashbery, een kant die er zeker ook in zit, maar ik heb wel vaak het idee dat de opvatting van Ashbery als een (onnavolgbare) peinzer een soort dwaalspoor is. Volgens mij is hij een soort superieure oplichter. Iemand die heel goed is in het presenteren van een totaal uit de lucht gegrepen, of zelfs geforceerde, gedachtensprong of vergelijking alsof die op natuurlijke wijze uit het vertoog voortkomt. Daar komt dan en passant een suggestieve, maar misschien illusionaire - je weet het nooit helemaal zeker - diepzinnigheid uit voort. Het verschil tussen banaliteit en diepgang, tussen meligheid en ontroering, is dan soms totaal verdwenen. Hij heeft voor mij iets van een goochelaar.

9:13 PM  
Ruben van Gogh said...

Ik denk dat je bij slam-dichters wel een goede kans maakt ouwehoerdichters tegen te komen. En dat bedoel ik niet negatief; zeker in de richting van het op rap leunende spoken-word genre, verhalende teksten met een zekere eigen nadrukkelijke flow, leidt de tekst vaak de betekeningsdans waarbij er flink uitgewijd kan worden.
Als inleiding bij mijn gedichten kan ik er ook wat van, al tracht ik dat tegenwoordig toch enigszins te beperken.
Het valt me trouwens op dat er steeds vaker gezegd wordt door dichters: "Ik ga nu een gedicht doen dat ..." en niet "Ik ga nu een gedicht (voor)lezen dat..."

7:17 AM  
Martin van Kralingen said...

De oorsprong van het ouwehoervers ligt volgens mij hier:

http://www.arlo.net/lyrics/alices.shtml

Ik moet het nog ergens op zolder op een lp hebben, maar herinner me dat het zeker 20 minuten duurde....

7:53 AM  

Een reactie plaatsen

<< Home