Send As SMS

donderdag, augustus 25, 2005

Van 't Hof vs Van Bastelaere

Waarom voel ik me altijd geroepen Dirk van Bastelaere te verdedigen, terwijl ik toch wel degelijk moeite heb met zijn poëtica en (vooral zijn meest recente) poëzie? En waarom schrijven mensen als Ton van 't Hof zulke interessante dingen, terwijl ik eigenlijk geen tijd heb om te antwoorden? Om me te verleiden, te verzoeken natuurlijk.

Van 't Hof vat een definitie van Van Bastelaere (uit het essay "Rifbouw"), samen in "gewone mensen taal". Dat is een dappere onderneming. Uitgangspunt is dat Van Bastelaere het zijn lezers (bewust of onbewust) moeilijker maakt dan nodig is. Dat geloof ik eigenlijk niet. (Hoor wie het zegt!) Als prozaschrijver mag DvB geen groot stilist zijn, maar toch schrijft hij, in dit geval, maar een paar woorden te veel (eerder te weinig).

Van Bastelaere: "Het gedicht is een onafsluitbare zelfrealisatie van een
linguïstisch proces."
Van 't Hof: "Een gedicht schrijft zichzelf."
Dat staat er niet. Er staat dat een "linguïstische proces" zichzelf realiseert (als gedicht). Onderwerp van de actie is dus de taal (of wellicht een bepaald domein van de taal?), blijkbaar opgevat als een dynamisch proces i.p.v. een statisch systeem. Het gedicht is geenszins autonoom in de klassieke zin, geenszins zijn eigen vader en moeder. Dat veronderstelt een gesloten cirkel -- de slang die in eigen staart bijt -- en dat is nu juist een beeld van volmaakte afgeslotenheid. Wie verder leest in Wwwhhooosshhh, ontdekt dat dit "linguïstisch proces" alles te maken heeft met een sociale wereld, met de wind van de wereld, met de wwwhhooosshhh van de wereld en haar vele stemmen -- de "wereldse inbedding" uit de ondertitel van het boek. We hebben het hier over de taal en over de wereld, niet over het Gedicht. Deze definitie van het gedicht is juist niet ge-dicht maar open gelaten. Daarom is ook elke definitie voorlopig.
Van Bastelaere: "Het gedicht is een zichzelf verstorend verhaal, zijn
retorische figuur bij uitstek is de anakoloet."
Van 't Hof: "[Het gedicht] is geen proza, bestaat (deels) uit 'niet
lopende' zinnen."

"Verhaal" is volgens mij geen synoniem voor "proza". (Het woordenboek is ook proza.) Evenmin is poëzie hetzelfde als verzen. "Een gedicht is een tekst in verzen," is ongetwijfeld de meest eenvoudige en heldere definitie van een gedicht. Twee problemen. Probleem één: hoe zit het dan met het prozagedicht? Probleem twee: het definieert wat een gedicht is, niet wat het doet. Dat laatste is duidelijk waar Van Bastelaere op uit is. Vandaar dat actieve termen als "proces" en "zichzelf verstorend proces" zo'n prominente rol spelen. Van 't Hof zet dat om in een statisch "is geen proza". De anakoloet is trouwens een figuur die duidt omdat ik geen pijp rook, en kan voorkomen in zowel verzen als proza. Maar inderdaad, dat niet lopen, dat is belangrijk. Ik meen echter in Van 't Hofs uitdrukking "bestaat (deels) uit" een manier van denken te herkennen die radicaal verschilt van die van Van Bastelaere. Van Bastelaere zegt: "de retorische figuur bij uitstek", waarmee hij niet wil zeggen dat hoe meer anakoloeten er in een gedicht voorkomen, hoe poëtischer het wordt, maar dat op een conceptueel niveau elk gedicht een anakoloet is. Het gedicht is fundamenteel iets dat niet loopt, dat niet klopt, dat niet af te sluiten is. Een agrammaticaliteit. Van Bastelaere denkt conceptueel, Van 't Hof neemt het letterlijk.

Van Bastelaere: "Het gedicht heeft niet een representatieve functie, maar
is presentatie."
Van 't Hof: "[Het gedicht] is geen uitdrukking van individuele gevoelens."

Waar heeft Van Bastelaere het over gevoelens? Ik denk dat hier een vooroordeel actief is: dichters als Van Bastelaere zijn cerebraal en geven af op "gevoelens". Dat klopt niet, denk ik. Van Bastelaere heeft een probleem met representatie, en representatie is natuurlijk veel breder dan het uitdrukken van "individuele gevoelens". Van Bastelaere zegt hier eigenlijk: "A poem should not mean, but be." Hij zegt het wat afschrikwekkender dan dat cliché. Het is een algemene uitspraak over de relatie van het gedicht tot betekenis en de werkelijkheid. Hier zien we dat verschil in denken weer. Van Bastelaere is (misschien iets te) bereid over representatie in het algemeen na te denken; Van 't Hof interpreteert het als de afwijzing van een bepaald (en historisch gezien zeer beperkt) soort representatie.

Van Bastelaere: "Poëzie is geen afgeleide, maar een constituante van de
werkelijkheid."
Van 't Hof: "[Het gedicht] is niet in staat om de werkelijkheid betrouwbaar
weer te geven."

Wederom, dat staat er niet. Ik weet niet of ik het met Van Bastelaere eens ben (dat weet ik eigenlijk nooit), maar hij zegt toch echt dat poëzie werkelijkheid constitueert, d.w.z. werkelijkheid maakt. Dat is iets heel anders dan taalpessimisme. (Eén van de cliché's die steeds weer terugkomen in interviews met dichters, omdat ze "filosofische" vragen krijgen voorgelegd waarover ze niet willen nadenken; en wie niet wil nadenken is gedoemd de gedachten van anderen te herhalen. Daar is helemaal niets mis mee (zolang de cliché's niet in de gedichten belanden), maar lees de tekst van iemand die wel uitdrukkelijk na heeft gedacht (en wel eens iets anders heeft gelezen dan de recepten van Marjoleine de Vos) dan ook alsof er een theorie over taal, werkelijkheid en poëzie achter zit, en dat die het misschien waard is proberen te begrijpen. Principle of charity. Wel zo sympathiek.) Geen taalpessimisme dus. Alweer ligt de nadruk op wat het gedicht doet, niet op wat het niet kan doen.

Van Bastelaere: "Geen platte mimesis, maar performantie."
Van 't Hof: "[Het gedicht] creëert haar eigen werkelijkheid."

Nee! Nergens wordt hier gezegd dat het gedicht een "eigen werkelijkheid" creëert. Nergens wordt de wereld van de verbeelding afgebakend van de rest van de wereld. Integendeel. Dat vooronderstelt de afsluitbaarheid die nu juist wordt ontkent. De wereld van de verbeelding is altijd een mimetische wereld, niet in de zin dat ze de werkelijkheid getrouw afbeeldt, maar dat ze überhaupt afbeeldt. Het kunstwerk is dan letterlijk een voor-stelling, die voor ons staat. De werkelijkheid staat nooit voor ons, ze is overal om ons heen -- in tijd en ruimte -- en zelfs dat is niet helemaal correct gezegd: we maken er deel van uit. De werkelijkheid beeldt niet af maar werkt, niet in de laatste plaats in ons handelen. Van Bastelaere wil dat het gedicht net zo werkelijk is, dat het werkt, dat het een daad is. Dat is een "ethische" wens; de dichter wil dat zijn werk er toe doet.

In feite heeft Van Bastelaere hiermee nog niet duidelijk gezegd wat een gedicht onderscheidt van een willekeurig andere wereldse taaldaad. Hoe komt het bijvoorbeeld dat de zgn. onafsluitbaarheid van het gedicht niet leidt tot een oplossen van het gedicht in zijn "wereldse inbedding"? Of in zijn interpretaties? Het is geen bevredigende definitie. Ik heb de oorspronkelijke tekst er niet meer bij gepakt, maar het blijft onbevredigend meen ik. Eigenlijk wordt het steeds onbevredigender o.a. doordat Van Bastelaeres eclectische gebruik van bronnen doet vermoeden dat al die Fransmannen allemaal hetzelfde hebben gezegd. Dat klopt uiteraard niet, en werkt misverstanden en vooroordelen in de hand. Aan de andere kant, hij kan zich beroepen op dichterlijke vrijheid, en eerlijk gezegd wordt er nog wel eens slordiger omgegaan met de theory canon door professionals.

Maar. Conclusie: ik denk dat Van 't Hof de tekst van Van Bastelaere niet close genoeg heeft gelezen, en bij voorbaat is vertrokken vanuit een bepaald idee over "wat de postmodernen vinden" en dat ze dat wel duidelijker hadden kunnen zeggen.

3 Comments:

Peter de Groot said...

Mooi helder stuk, Jeroen. Jij mag mij meer uitleggen.
En zeg niet dat ik eindelijk weer eens sympathiek ben.

1:40 PM  
Peter de Groot said...

Ik heb het zelf nog niet echt gecontroleerd, maar volgens mij is die poëtica van Van Bastelaere zo theoretisch dat je hem met dezelfde paradoxale gevolgen bij ieder gedicht kan laten passen.
Ik bedoel:
> Een liefdesbrief kan fictie zijn
> Fictie hoeft geen reflectie van de gangbare werkelijkheid te zijn
> Twee of meer werelden kunnen synchroon lopen zonder dat ze het zelf weten, of dat ze iets met elkaar te maken hebben.
> Een koe kan een blauw balletje zijn, dat misschien niet eens kan rollen.
> Hagasbdaw kan abcdefghij betekenen.

2:10 PM  
Jeroen Mettes said...

Over paradoxen gesproken.

Er is een spanning in uitspraken als "Het gedicht is een onafsluitbare zelfrealisatie van een linguïstisch proces." Claimt Van Bastelaere dat elk gedicht dat is? Hij spreekt wel op die autoritaire, generaliserende manier: "Een gedicht IS...", niet: "Een gedicht zou, vind ik, moeten zijn..." Als hij een uitspraak doet over poëzie in het algemeen zou die op elk gedicht van toepassing moeten zijn.

Tegelijk weet je dat hij uiteindelijk toch als dichter spreekt, niet als poëziefilosoof, en dat hij een specifieke poëtica verdedigt tegenover andere. Dan zegt hij in feite: "Een GOED gedicht is..." Dat hij zich in zijn smaakoordeel beroept op de meest wetenschappelijke, "objectieve" theorieën: dat is misschien wel de grootste paradox, die nogal wat mensen ergert. De paradox is, denk ik, wel legitiem, maar niet normatief. Men zou het idee kunnen krijgen dat gezegd wordt: "Jouw poëzie/smaak/poëtica is klote, want je hebt Paul de Man niet begrepen." Lulkoek natuurlijk.

6:54 PM  

Een reactie plaatsen

<< Home